Kamerlamp in het gras

Het liefst willen we het hele jaar buiten zijn. De één maakt van de tuin een huiskamer, de ander wil er juist dicht bij de natuur komen.

Pit Out Garden lamp van Domus light, een ontwerp van E27

Open de deuren. Je huis is groter dan je denkt’, luidt de tekst bij de voorjaarscampagne van Ikea. We kijken op de Ikea-site vanuit een kamer de tuin in waar de kamerplanten op de veranda zijn gezet, binnen zien we veel groene meubels en stoffen met botanische motieven.

Dan de zomercatalogus van het Duitse woonwarenhuis Magazin. Een vloerkleed voor in de tuin (269 euro). Een schemerlamp die je met een soort schep in de aarde kunt steken. Een kandelaar zonder kaarsen die brandt op een campinggasje. Een houten vouwstoel die buiten wordt afgebeeld, maar ook binnen bij de open haard. De eigenaar heeft zijn vuile rubberlaarzen ernaast gezet.

Bij Wehkamp (‘Je bent eruit’) zien we een grote witte zithoek met hocker. Binnen gefotografeerd, waar hij op z’n plek lijkt. Maar het blijkt een ‘all weather’ tuinset te zijn. Wehkamp schrijft erbij: „Deze moderne loungebank is niet van een ‘gewone’ binnenbank te onderscheiden.” De prijs is het bewijs: 2.899 euro.

En dan het klapstuk, op de site van ‘outdoor living mall’ Fonteyn: de Weber BBQ Summit Grill Center RVS. Een buitenkeuken van drie meter breed, met ‘zes afzonderlijk en traploos regelbare roestvaststalen branders’, een ‘grill out kookoppervlak van 80,5 × 49 centimeter’ en een ‘ingebouwde ijsblokjeskoeler’. 6.999 euro.

Ikea heeft een punt. Als je buiten zet wat binnen stond en omgekeerd, en je gooit de tuindeuren wijd open, wek je in elk geval de suggestie van meer woonruimte. Wat het interieur betreft krijgt de trend een naam op perscentrumwonen.nl, de site van de woonbranche: Into the wild. „De verbinding tussen ons interieur en de natuur wordt steeds belangrijker”, schrijft het trendbureau. „Hoe ‘natuurlijker’, hoe beter! [...] We gaan op safari naar de ‘wild side’ van onze smaak!”

Het omgekeerde, van binnen naar buiten, noemen we, sinds we de wit-plastic Jardin-stoelen bij het grofvuil hebben gezet en het buitenbankstel naar het terras op vier hoog hebben gesleept, gewoon loungen.

We kunnen gerust van een binnen-buitentrend spreken. Maar al was de grens tussen binnen en buiten misschien niet eerder zo diffuus, de drang om beide te verenigen komt niet uit de lucht vallen. „Al in de zeventiende en achttiende eeuw werden tuinen ontworpen als verlengstuk van het huis. Via de assen van het huis werd er een relatie gelegd tussen het tuinontwerp en de architectuur. En mensen hadden tuinkamers, waar je buiten en binnen tegelijk was”, vertelt Erik de Jong, die als hoogleraar aan de UvA de relatie tussen mens en natuur bestudeert. Nederland heeft altijd een grote burgerlijke traditie gehad, met buitenplaatsen en parken. De protestantse opvatting van de natuur, waarbij de mens als rentmeester van de goddelijke schepping optreedt, is in seculiere vorm nog steeds aanwezig. „Tuintijdschriften presenteren het buitenleven als een bijna religieuze ervaring.”

Dat we die enorme drang voelen om buiten te zijn, zonder dat ons klimaat daartoe uitnodigt, zou volgens De Jong terug te voeren zijn op ons „niet-bewuste verlangen naar het paradijs. Verloren door de erfzonde, maar voor even een fractie dichterbij als we buiten op zoek gaan naar de ideale versmelting met de natuur.”

Al zijn er ook prozaïscher verklaringen. Zoals onze vakanties in Toscane en Andalusië. Buiten douchen, visje op de grill, natafelen tot na zonsondergang. Dat willen we thuis in Zoetermeer ook. De tuincentra, de bouwmarkten, de interieurzaken: ze weten de illusie goed te verkopen, constateert De Jong. „Onze smaak wordt gemanipuleerd.” Wat we nu allemaal in onze tuinen doen, staat ver af van het paradijs. „We doen er evenveel niks als binnen. Lullen en hangen, dat is loungen. De tuin als plaatsvervangende huiskamer, een excuus om niet te tuinieren.”

Tuinarchitect Dick Beijer kan zich er ook vrolijk over opwinden. „Die gevlochten hoekbanken, dat gekóók buiten. We zijn helemaal doorgeslagen. Hoe vaak zit je nou helemaal buiten in dit land?” Binnen en buiten naar elkaar toe trekken doe je in elk geval niet door spullen die voor binnen bedacht waren buiten te zetten. En Beijer is ook niet dol op vloeren die doorlopen. „Binnen en buiten hebben niets met elkaar te maken. En alles wat je buiten zet verkleurt. Je kunt beter de lijnen van het huis doortrekken in je tuin. Er is niets mis met een houten vloer binnen en hardsteen buiten.”

Beijer is voor sobere tuinen, met een beperkte variatie in begroeiing. „Ik hou erg van beton. Lavendel, platanen. Een haag in plaats van schuttingen. Overal die schuttingen! Mijn vak draait om de kunst van het weglaten. De weg naar de Keukenhof vind ik ook mooier dan het park zelf.”

Wilde tuin

Tegenover de loungetuin zien kenners een nieuwe ontwikkeling. „De trend voor dit jaar is de wilde tuin”, zegt De Jong, die zelf behalve een plantentuin in Overveen een stukje ‘begeleide wildernis’ heeft bij zijn huisje in Drenthe. Die nieuwe trend is de urbane tegenhanger van het hutje op de hei. Met een bijenhotel, vlinderaantrekkende planten, decoratieve moestuinen, ‘urban farming’. „Er is een stroming die de dialoog zoekt met de natuur, die de vraag wil beantwoorden wat natuur betekent, hoe de mens zich tot de natuur verhoudt. Dat is de serieuze, geëngageerde interpretatie van het buitenzijn.”

Voor voorbeelden kunnen we weer gewoon terugvallen op de catalogus van Magazin. Daarin staan ook de Dutchtubs van Weltevree, het ‘wilde’ equivalent van de jacuzzi. Je moet zelf een houtvuur stoken om het (regen)water warm te krijgen. Ontwerper Floris Schoonderbeek had, toen hij zijn buitenbad tien jaar geleden op de markt bracht, nog veel uit te leggen, inmiddels is het kwartje gevallen. „Het is sobere luxe. Het hoort bij een nieuwe waardering van kwaliteit. Het leven gaat sneller en is complexer, dat compenseren we met primaire bezigheden. Hout erop, fikkie stoken, bad wordt warm.”

Een Dutchtub is niet goedkoop, zo’n 5.000 euro. Maar Schoonderbeek verkoopt er elk jaar meer, voor hem zit het economisch tij mee. „Mensen verhuizen minder en gaan minder met vakantie, ze zoeken geluk in het avontuur dicht bij huis.” En het bad is verrijdbaar, je kunt het dus ook met de buren kopen, zoals een woongemeenschap in Berlijn onlangs deed. Dat gemeenschapsgevoel hoort er voor Schoonderbeek heel erg bij.

Ook voor de luxueuze buitenkeukens zijn er basale alternatieven. Weltevree verkoopt bijvoorbeeld een simpele houtoven voor buiten. Splinternieuw zijn de houtgasbranders van Bertus Fridael. Een technisch vernuftige constructie waarbij hout door verbranding omgezet wordt in gas dat gebruikt wordt om op te koken. „Het verbaasde mij ook dat zoiets er nog niet was. Veel fabrikanten zijn met buitenkeukens bezig. Ik wilde terug naar de basis, het kneuteren met hout. Die geur, dat oergevoel.”

Schuurhuis

Buiten zijn, met alle spullen die dat leuk maken,wordt makkelijker als het huis een handje helpt. Fokko van der Veen van Kwint Architecten verbindt binnen en buiten met zijn Schuurhuizen, die zo heten omdat ze er zo uitzien, het is het simpelste idee van een huis. Door de gevel onder het dak naar binnen te schuiven, creëert hij binnen buitenruimte. „De suggestie van ruimte is vaak rijker dan de letterlijke ruimte. Ben je acht meter kwijt of heb je juist ruimte gewonnen?”

Met de nieuwe groene golf heeft hij gemeen dat hij het simpel houdt. „Een villa heeft een tuin, een villa staat voor luxe. Een schuur heeft een erf. Dat heeft iets gewoons. Dat sluit op een natuurlijke manier aan op het landschap.

Met een goede veranda, zegt Van der Veen, kun je eigenlijk altijd buiten zijn. Zoals je op de camping ook altijd buiten zit. „Dat is eigenlijk wat je wilt van een huis. Het gevoel van een tent. Je doet de rits open en je bent buiten.”