Hij zag al snel wat er zou gaan gebeuren

Pas later las Luuk van Middelaar (1973) Heldrings analyse over de Muur. Die voorzag wat komen ging.

Illustratie Siegfried Woldhek

Afstand én nabijheid. Daar ligt voor mij de sleutel tot Heldrings volstrekt eigen stem in de Nederlandse publieke ruimte. In commentaren bij zijn dood kreeg de afstand de nadruk: de beschouwer, de politiek realist, het historisch geheugen, de sobere stijl.

Inderdaad waardevolle kwaliteiten, die prettig afsteken bij de vigerende ‘vind je ook niet?’-waan van de dag – en die we al deerlijk misten sinds Heldring de pen neerlegde. Maar te weinig is opgemerkt dat deze afstand alleen werkte door nabijheid, door Heldrings nieuwsgierigheid, zijn besef van permanente verandering en zijn, ja, liefde voor de wereld en de mensen nu. Hoe anders kun je tot aan je 95ste jaar over hen blijven lezen, schrijven?

Afstand en nabijheid betekent ook: oog houden voor continuïteit én breuk. Niet alles is nieuw, niet alles kan zomaar veranderen, maar ook: niet alles zal hetzelfde blijven, de geschiedenis voltrekt zich onder onze ogen. Trefzeker wist de columnist zo steeds het moment op te spannen tussen een lang verleden en een open toekomst.

De stijl van de meester indachtig kom ik nu met een lang citaat als voorbeeld. Het is uit een indrukwekkende column van 4 november 1989; oftewel, vijf dagen voor in Berlijn een gebeurtenis zou plaatsvinden die op dat moment nog ondenkbaar was maar die we achteraf een vanzelfsprekendheid hebben gegeven met de naam Val van de Muur.

Het stuk begint zo: „Wanneer beide Duitse staten herenigd zullen zijn weten we niet, maar het Duitse volk is al herenigd. Donderdagavond hebben we op de televisie kunnen zien hoe honderdduizenden Oost-Duitsers door West-Duitsers in de armen werden gesloten, nadat de DDR de toegang naar West-Berlijn had vrijgegeven.” En even verder: „Welnu, wanneer twee delen van één volk niet langer gescheiden willen zijn, zal de staatkundige eenheid niet lang op zich laten wachten, al is het opmerkelijk dat weinig Duitsers – van Oost noch West – op dit ogenblik het woord Wiedervereinigung in de mond nemen. (…) De wereld doet er dus goed aan zich voor te bereiden op het ontstaan van één Duitsland binnen afzienbaar termijn.”

Heldring vraagt zich dan af wie of wat als ‘ordeningsmacht’ kan fungeren om de onvermijdelijke spanningen in het gareel te houden, komt uit bij de Verenigde Staten en president Bush (sr.), merkt op dat weinig erop wijst dat deze klaar is voor de historische rol en besluit: „Maar hij heeft de wereld al eens eerder verrast door vindingrijkheid en vastberadenheid.”

Dit is Heldring op zijn aller-, allerbest. Hij ziet al dé historische gebeurtenis, die heel de mondiale en Europese politieke wereld van na 1945 zou doen kantelen, nog voor iemand anders ze heeft gezien. Hij leest ze in krachten tussen de staten, maar zijn politiek realisme is des te realistischer omdat hij weet dat de staten uiteindelijk rusten op de steun van de bevolkingen. En op een moment dat de Duitsers vooral waren meegesleept en de buurlanden, voor zover ze iets zagen, verschrikt het hoofd afwendden, stelt hij al de juiste vragen, geeft enkele antwoorden en houdt oog voor de kansen en ongewisheden die de toekomst in zich bergt.

Wie dit achteraf leest – zoals ikzelf, want ik was 16 jaar toen de Muur viel en wij lazen thuis de Volkskrant – kan niet anders dan een diepe buiging maken.

In een van zijn geliefde politieke debatten uit de jaren 1960-1990 – moet Nederland zich ‘Atlantisch’ of ‘Europees’ oriënteren? – was Heldring gedurende de Koude Oorlog Atlantisch. Niet om ideologische maar om machtspolitieke redenen: Amerika was onze beschermer. Na het einde van het Koude Oorlog, na scharnierjaar 1989, gaf de toen al 72-jarige blijk van meer wendbaarheid dan de Nederlandse diplomatie en wist hij dat de vraag naar de politieke ordening van Europa onafwendbaar terug zou komen. Onze Amerikaanse beschermer zou niet eindeloos blijven; de geschiedenis staat nooit stil.

Zelf beweerde Heldring dat hij zich niet interesseerde voor wat moet, maar voor wat is en was. Dit onderscheidt hem inderdaad van Hollands moralisme en ideologische ijver. Maar zijn kracht was hoe hij vervolgens de werkelijkheid bekeek. Niet als een feitenfetisjist, een droogstoppel, een cynicus van de status quo. Nee, Heldrings proza is steeds levendig omdat het altijd de band sloeg tùssen was en is. Het ging hem om wat er gebeurt. Historische en politieke oordeelskracht waren bij hem één.

Een van Heldrings geliefde citaten komt van de historicus H.T. Colenbrander uit 1920: „Wel placht de Nederlandse courantenlezer in zijn bladen uitvoerige correspondentiën te lezen omtrent wat er in de wereld voorviel, doch hij was eraan ontwend geraakt zich de vraag te stellen, laat staan te beantwoorden, welken invloed buitenlandsche gebeurtenissen zouden kunnen hebben op lotgevallen en belangen van het eigen land.” Tegen deze Nederlandse toeschouwersneiging heeft Heldring zijn leven gestreden. Tegen de illusie enkel in de zaal te zitten, commentaar en advies te mogen geven aan de spelers, en zelf buiten schot te zijn.

Geestverwantschap mag men wel voelen met iemand wiens leven publiek was. Ik kende hem een beetje. Eenmaal zocht ik hem thuis op, in de dubbelflat aan de Wassenaarseweg in Den Haag (koffie en leven achter de ene, boeken achter de andere voordeur).

Dankbaar ben ik voor de grootse hulde die hij bracht aan mijn boek De passage naar Europa – in persoon met een toespraak bij verschijning en in enkele columns de weken en maanden erna. En ook vanwege een kaart, einde 2009, vanwege mijn vertrek bij de krant en stap naar de Europese politiek: „Blijf daar niet te lang.” De tijd tikt voort, wist hij.

Luuk van Middelaar (1973) is oud-columnist van NRC Handelsblad (2008-2009) en auteur van De passage naar Europa (2009).