De oorlog is geworden business

De Tweede Wereldoorlog is een commercieel product geworden, vindt Marita Mathijsen, terwijl hij een bron van reflectie zou moeten zijn.

Hoeveel heeft de deportatie en de dood van Anne Frank de staatskas gekost? Anne werd op 4 augustus 1944 uit het Achterhuis gehaald en vanaf dat moment leefde ze op staatskosten. Wellicht begon het met uitbetaling van een verradersloon. Ze bracht vier dagen door in de gevangenis bij het Leidseplein. Tegenwoordig kost het verblijf van een gevangene volgens de Dienst Justitiële Inrichtingen 247 euro per dag. De voorzieningen van die tijd zijn niet te vergelijken met die van nu. Wellicht zou men de kosten op ruwweg 50 gulden per dag kunnen schatten.

Daarna werd ze op de trein naar Westerbork gezet. Voor vervoer werd gewoon van de Nederlandse Spoorwegen gebruik gemaakt en er werden kaartjes gekocht tegen gereduceerd groepstarief. In Westerbork bleef zij tot 3 september, 26 dagen dus. Het kamp daar is moeilijk te vergelijken met enige hedendaagse instelling. Wellicht bleven de overheidskosten beperkt tot 10 gulden per dag, dus in het geval van Anne Frank tot 260 gulden.

In Auschwitz verbleef zij tot 28 oktober, 55 dagen dus, en in Bergen Belsen, waar zij begin maart 1945 overleden moet zijn, kwamen daar ongeveer 130 dagen bij. In totaal dus 185 dagen op kosten van de Duitse overheid. Als we alleen naar de directe kosten kijken, niet naar de indirecte van de oorlogvoering zelf, op hoeveel komen we dan uit? Wellicht moeten we ook hier uitgaan van minimale kosten, hoewel de uitgaven voor huisvesting en voorzieningen van de bewakers wel hoog moeten zijn geweest, evenals die van omheiningen, doucheruimten en gaskamers. Misschien kostte een gevangene in Duitsland de staat omgerekend zo’n 30 gulden per dag, dus toch zo’n 5550 gulden.

Haar einde moet goedkoop zijn geweest, want gaskamers en crematieovens waren er niet in Bergen-Belsen, dus de kosten daarvan werden uitgespaard. Zij moet in een van de massagraven terecht zijn gekomen. Bij deze grove schatting heeft Annes deportatie en dood dus zo ongeveer 6000 gulden gekost.

Ik veroorloof mij deze gruwelijke berekening omdat Anne Frank een toeristisch kapitaal is gaan vertegenwoordigen. Het Anne Frankhuis kreeg in 2010 meer dan 7 miljoen euro aan entreegelden binnen en verkocht in de museumwinkel voor meer dan 1 miljoen. Nu maakt het Anne Frankhuis zelf hiermee geen winst, maar dat geldt natuurlijk niet voor alles wat het toeristisch bezoek van de meer dan 1 miljoen honderdvijftig duizend bezoekers van 2012 verder aan inkomsten voor hotels en restaurants meebrengt. Een dagje Amsterdam kost toch al gauw gemiddeld 100 euro, dus de bezoekers besteden in Amsterdam per jaar zo’n 100 miljoen. Bovendien blijft haar dagboek verkopen en profiteren film, televisie en schouwburg van haar verhaal, nu wereldwijd.

Anne Frank zie ik als een symbool van wat er met de herdenking van de Tweede Wereldoorlog in het algemeen aan de hand is. Het lijkt alsof de Tweede Wereldoorlog steeds meer aan het verkapitaliseren is. Booming business, met films als La vita è bella, Schindler’s list, De laatste dagen van Hitler en een musical als Soldaat van Oranje, die al een miljoen toeschouwers trok. Een integere documentaire, zoals de veeldelige die Ad van Liempt maakte, brengt geen kapitaal binnen. Die kon alleen maar tot stand komen met forse ondersteuning.

De kapitalisering loopt parallel met de sensationalisering die ik ook constateer, en die vooral de publieksgerichte mediatransformaties van de oorlog betreft. Zodra het woord ‘Holocaust’ in een aanbeveling van een film, serie, musical, lezing opduikt is het tijd om achterdochtig te worden. Maar waar liggen de grenzen? Waarom noemen we La vita è bella sensatiebelust? Wat moeten we van Zwartboek denken en het bleken van Carice van Houtens schaamhaar? Ik zie die sensationalisering ook in de reiswereld. Het is meer dan weerzinwekkend hoe er reclame gemaakt wordt voor dagtochtjes naar voormalige concentratiekampen. Zo wordt een dagtrip naar het Concentratiekamp van Theresienstadt aanbevolen: ‘Experience the tragic symbol of suffering during the Holocaust during this unique, educational and eye-opening tour.’

Er is nog een derde punt, vergoelijking. Dat heeft te maken met het ‘aflaatkarakter’ van openbare herdenkingen. Ik doel met aflaat op de katholieke praktijk waarbij vergeving van zonden verkregen kan worden door een zekere boetedoening. Zo dienen de 4 mei-herdenkingen: als we maar braaf naar de buurtbijeenkomst gaan, naar de lezing luisteren, twee minuten stilte in acht nemen en de Last Post beluisteren, dan kunnen we weer een jaar voort zonder wakker te liggen van de vraag hoe dit allemaal heeft kunnen gebeuren, onder de ogen van onze ouders of grootouders. Ook de talloze herdenkingsmonumenten hebben de functie van een boeteoffer. Er zijn er in Nederland volgens de database van het Nationaal Comité 4 en 5 mei meer dan 3500. Vroeger of later voelde elke gemeente zich verplicht op deze manier haar sorryzegging te doen.

Kapitalisering, sensationalisering, vergoelijking, dat zijn de dingen die ik steeds weer tegenkom als de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog als mediaproduct of openbare manifestatie naar buiten komt. Het is in het geval van de Tweede Wereldoorlog en de Jodenvernietiging extra schrijnend dat geschiedenisbeleving in toenemende mate op sensatie gebaseerd is. Er wordt veel geschreven over de toenemende belangstelling voor geschiedenis in Nederland. Inderdaad: er zijn meer series over de historie op televisie dan vroeger, er verschijnen meer biografieën dan ooit en het lijkt wel of er elke dag een nieuw boek over de Nederlandse geschiedenis uitkomt. Dat is niet iets om treurig over te zijn, integendeel. Maar wie de oogst aan geschiedbeoefening bekijkt, kan er niet omheen dat er ongelooflijk veel verschijnt met een hoog Telegraaf-gehalte. Nepgeschiedenis, sensatiebeluste geschiedenis, geschiedenis als kermisattractie, geschiedenis als rampentoerisme. Eén-dimensionaliteit overheerst.

Moeten we de 4-meiherdenkingen dan afschaffen? Zolang het herdenken van de doden op 4 mei nog direct verbonden is met persoonlijk geleden verliezen, staat de ritualisering ervan los van de drie tendensen die ik aangewezen heb. Maar we zitten op dit moment op een gevoelige omslag wat deze oorlog betreft. Twee jaar geleden, precies op 5 mei, is de laatste soldaat overleden die nog gediend had in de Eerste Wereldoorlog. De Tweede is hard op weg om van herinnering naar geschiedenis te verschuiven. We staan op het punt dat degenen die de oorlog uit de directe herinnering kunnen gedenken, uitsterven. Iedereen die jonger is dan zeventig, ook ikzelf, praat na.

Maar dat wil niet zeggen dat ik daarmee de herdenkingscultuur afwijs. Ook nu de directe herinneraars aan het verdwijnen zijn, is er nog te veel wat we kunnen leren uit deze gruwelijkste geschiedenisles ooit. Een volwaardige maatschappij, waarin plaats is voor iedereen, waarin vrouwen, mannen, buitenlanders, homoseksuelen gelijkwaardig behandeld worden, waarin mensen die niet voor zichzelf kunnen zorgen door de overheid beschermd worden, waarin misdadigers op een humane manier wordt verhinderd op hun fatale pad verder te gaan, waarin iedereen het onderwijs kan volgen dat voor hem of haar geschikt is, hanteert geschiedenis als reflectie. Ze kan bemoedigen, ze kan analogieën leveren die menselijke keuzes waarborgen.

Wij geven de slachtoffers een tweede dood als we niet meer aan hen denken. Wanneer wij 4 mei herdenken, niet als plichtpleging maar als recapitulatie van de houding die we wensen in te nemen ten opzichte van het heden, dan is er reden om tot in eeuwigheid deze dag te gedenken.

Marita Mathijsen is emeritus hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde. Dit is een samenvatting van haar 4 mei-lezing in Felix Meritis, Amsterdam. Meer informatie felix.meritis.nl.