Brief over driedimensionaal printen

Leuk dat 3D-printen, maar veel plastic rommel

Eens in de drie à vier weken steekt hij zijn hoofd weer om de deur: de 3D-printer, de wondermachine die „volgens velen” een „nieuwe industriële revolutie” zal veroorzaken.

Iedereen zal in de toekomst alles zelf gaan produceren, met zelfgemaakte vuurwapens als enig negatief bijverschijnsel. Ook het 3D-geprinte huis komt steeds weer terug. (NRC Handelsblad, 18 april).

Oud nieuws, trouwens: het geprinte grachtenpand werd al ruim een maand geleden aangekondigd in de media.

Nieuw is alleen de intentieverklaring die de printers hebben getekend om het huis te bouwen. Voor zover nu bekend, houdt die bouw vooral het uitdraaien van plastische gevelelementen en binnenmuren in. Niet alleen plastisch (‘Amsterdamse school’) maar ook van plastic, een materiaal dat vraagtekens oproept als het gaat om duurzaamheid, stijfheid, brandveiligheid, ventilatie en meer van dat soort kleinigheden.

Andere enthousiast aangekondigde, maar al evenmin opgestarte 3D-gebouwen gaan tenminste nog uit van aaneengekit zand als printmedium.

Voorlopig zie ik nog geen plastic huizenblokken verrijzen, net zo min als de Chinese leren confectieschoenen massaal zullen worden ingeruild tegen zelfgeprint plastic maatschoeisel. We hoeven ook niet bang te zijn voor uitgeprinte vuurwapens, zolang voor essentiële onderdelen als lopen en grendels nog zeer sterk staal wordt vereist.

De 3D-printtechniek zal het moeten hebben van heel nuttige toepassingen – onder meer in de medische- en ontwerpsector – en veel charmante plastic prullaria, voer voor toekomstige Koningsdagmarkten.

E.J. van Ginkel

Leiden