Beaujolais' jeugdzonden

Harold Hamersma proeft hoe vief oude Beaujolais kan smaken.

Een paar weken terug werd ik verrast tijdens een bezoek aan Domaine des Nugues in Beaujolais. Ik ging er met Gilles Gelin, eigenaar-wijnmaker van het domein, zijn wijnen proeven. Met hem sprak ik over de problemen waar de streek momenteel mee kampt. In eerste instantie vooral over de rampzalige 2012 oogst. Toen teisterden hagel, regen en vorst de regio als nooit tevoren. Resultaat: een veertig tot vijftig procent lagere oogstopbrengst dan de jaren ervoor.

Van de 2.700 producenten verkeren er inmiddels tweehonderd in financiële problemen. Driekwart van hen redt het dankzij kortlopende leningen, maar voor vijftig lijkt het doek te vallen. Toen hij zijn proefflessen uitstalde, sneed ik nog een ander heikel punt aan: de reputatieschade die Beaujolais Primeur jaar in jaar uit aan de streek heeft toegebracht. Het internationale visitekaartje van de regio smaakte alsof de visite vooral niet welkom was. Hoe vaak ik de afgelopen tien jaar geen bedroevende kwaliteit in het glas heb gehad. En omdat deze ‘jeugdwijn’ tekent voor dertig procent van de output van de regio komt dat hard aan.

Maar ook de Primeurs van een onberispelijke kwaliteit kenden negatieve bijwerkingen. De wereldwijde wijndrinker meende dat Beaujolais het equivalent was voor lichte, fruitige, goedkope wijnen die vooral piepjong gedronken dienen te worden. Gelin wijst mij op een interview dat het Engelse wijnblad Decanter had met Louis-Fabrice Latour, directeur van Château des Jacques. Met 70 hectare een speler van formaat in de Beaujolais. Eentje die bovendien niet zo een, twee, drie hoeft te vrezen voor een bankroet. Het domein is in handen van grootmacht Louis Jadot uit Bourgogne, de streek waar door druiven te persen automatisch de geldpersen gaan draaien. Ook Latour onderstreept de problematiek: „Primeur heeft de positie van Beaujolais ondermijnd. De betere Villages-kwaliteit en de tien crus worden over één kam geschoren. Keer op keer krijgen we van de importeurs te horen: „Persoonlijk zijn we dol op jullie wijnen, maar we krijgen ze niet meer verkocht.”

Ter illustratie: van de 36 miljoen geproduceerde liters rode Beaujolais in 2010 vond slechts 27,5 miljoen liter een baasje. Latour vervolgt: „Omdat de wijnmakers te weinig geld hebben, kunnen zij niet investeren in hoognodige kwaliteitsverbetering. Overstappen op bijvoorbeeld het duurdere biologische wijngaardenieren is er niet bij.” Aldus dreigt Beaujolais in een vicieuze cirkel te belanden. Veel wijnmakers kunnen niet leven van hun Village wijnen of crus, en kunnen niet overleven zonder de opbrengsten van Beaujolais Primeur.

Inmiddels heeft Gelin zijn assortiment ontkurkt, onder andere Beaujolais Villages, Fleurie en Morgon. Overigens was ik via eerdere proeverijen al bekend met zijn hoge kwaliteitsniveau. Maar hij wil mij nu laten proeven hoe goed Beaujolais kan ouderen. En beslist niet alleen Morgon, waarvan een goede uitvoering makkelijk tien jaar mee kan. Met een brede lach schenkt hij mij na zijn uitstekende Villages 2011 dan ook een exemplaar uit 2000, 1997 en 1988, stuk voor stuk nog verrassend vief en bijzonder goed. Bij de 2000-versie noteer ik dat deze zelfs het niveau van een hoog geclassificeerde, rode Bourgogne heeft. Als ik vraag hoe het met de verkoop gaat, zegt Gelin geen klachten te hebben. Alleen vindt hij het jammer dat hij voor zijn wijnen niet dezelfde prijs kan rekenen als voor 1950: tot die tijd bracht een goede Beaujolais cru hetzelfde op als een hoge Bourgogne.