Column

16 miljoen cipiers

Haroen al-Rashid is een beroemde kalief die leefde van 766 tot 809. Waardoor beroemd? Hij heeft veel veldslagen gewonnen, land veroverd, grote paleizen laten bouwen en een stad gesticht, Najaf, waar in deze eeuw de Amerikanen met het leger van Saddam Hoessein slag hebben geleverd. Ook al geschiedenis. Voor het eerst heb ik over Haroen gelezen in Duizend-en-één-nacht. In dit verhaal gaat het niet over zijn heldendaden, maar zijn diepgewortelde rechtvaardigheid. Regelmatig ging hij vermomd als nederig burger de stad in om zich ervan op de hoogte te stellen hoe zijn onderdanen het maakten. En kwam hij een bijzonder schrijnend geval tegen, dan liet hij de volgende dag zijn lakeien ingrijpen. Als kleine jongen bewonderde ik zijn goedheid.

Hoe zou Haroen het in deze tijd gedaan hebben? Hij gaat op pad. De achterbuurten, de achterstandswijken in. Al gauw komt hij een arm oud vrouwtje tegen. Hij geeft haar het adres van zijn hulpverlening en terwijl hij nog aan het schrijven is, zegt ze: Ik ken u. Ik heb u vorige week nog op het grote plein gezien. U bent toch die Bekende Arabier? Wat doet Haroen dan? Hij bevestigt zijn identiteit en neemt zich voor de volgende keer in een nog betere vermomming de stad in te gaan. Dit speelt zich allemaal af in de tijd dat er geen kranten waren.

Hoe zou het Haroen nu zijn vergaan, in de tijd van televisie, internet, iPad, iPhone, YouTube en dergelijk gereedschap? Het vrouwtje had haar weldoener onmiddellijk herkend en met haar mobieltje een foto van hem gemaakt. Een paar voorbijgangers hadden het gezien en ook hun digitale apparatuur getrokken. Zo was er al een klein groepje ontstaan waarvan Haroen het middelpunt was, op zo’n manier dat hij niet meer kon ontsnappen. Dus belde hij zijn lijfwacht.

Maar er is een wet van de moderne groepsvorming, die zegt dat een openbare groep exponentieel groeit. Zo ontstaat de flashmob. De geheime weldoener werd dus het centrum van een flashmob. Daar kwam zijn veiligheidspersoneel. Met zachte drang wisten ze de geestdriftige burgers te bedwingen en de hoge weldoener te ontzetten. Daarna heeft Haroen zich een nog betere vermomming laten aanmeten. Of hij heeft besloten dat het zo wel mooi geweest was met zijn weldoenerij. Dat weten we niet.

Na jaren dacht ik weer eens aan Haroen terwijl ik naar het verslag van de inhuldiging zat te kijken. Nu nemen we aan dat na een week de geestdrift van het volk is geluwd. De mensen zijn weer gewoon aan het werk en de hoofdrolspelers van al die niet geringe inspanningen hersteld. Deze koning heeft een jeugdige, inventieve geest. Hij denkt: weet je wat, ik ga zelf eens kijken hoe het er met de burgerij voorstaat. Het is mijn koninklijke plicht om me op de hoogte te stellen. Hij laat de grimeur komen en vertelt hem wat hij van plan is. Deze vakman vindt het een uitdaging. Ook een teken des tijds. Zonder uitdaging begin je niets in deze tijd.

De koning krijgt een donkere snor, zijn haar wordt een beetje anders geknipt en geverfd, hij trekt een wat sjofel pak aan en neemt de trein tweede klas naar het Muiderpoortstation in Amsterdam. Daar stapt hij in lijn drie; hij heeft al een chipkaart. Totaal ongestoord kijkt hij naar buiten, geniet van het uitzicht, het Oosterpark, de Amstel, het Sarphatipark, de gewone straatbeelden. Zo heeft hij het nog nooit gezien. Hij voelt zich vrij. Hij komt langs het Museumplein waar tientallen arbeiders bezig zijn de laatste resten van de feestelijkheden op te ruimen. Grote hemel, denk hij, wat is hier gebeurd? Hier heeft André Rieu zijn koninklijke concert gehouden. Hij heeft wel zin om even naar het juist geopende Van Gogh Museum te gaan, maar hij beheerst zich. Onder het gewoonste volk blijven is de boodschap, en dan misschien een behoeftige burger tegenkomen.

Aan de halte Overtoom gaat iemand tegenover hem zitten die hem strak aankijkt, dan voorover buigt en zegt: Je lijkt sprekend op de nieuwe koning. Maar dat bén ik niet, je vergist je, zegt ons staatshoofd. Nee, nee, je bent het wél, zegt deze man. Ik hoor het aan je stem. En hij roept: De nieuwe koning zit in de tram! Meteen ontstaat opwinding onder de passagiers, ze dringen op, een brutale jongen rukt het snorretje af en het staatshoofd is ontmaskerd. Hij kan geen kant meer op, hij is de gevangene van het volk geworden. Sommige passagiers trekken hun digitale kiektoestel. Een jongeman die begrepen heeft dat hier een fortuin te verdienen valt, heeft al met Nieuwe Revu gebeld.

Zou het zo kunnen gaan? Niet onwaarschijnlijk. Ik bekeek de kranten van 1 mei. Op koninklijke feestdagen heeft ons staatshoofd 16 miljoen cipiers. Niets aan te doen.