Op pad met stakende doodgravers

Ook in Nederland lijkt de belangstelling voor de Oostenrijkse schrijver Joseph Roth (1894-1939) steeds groter te worden. Meesterwerken als Job, Radetzkymars en De Kapucijner Crypte worden regelmatig herdrukt, de bijna net zo sterke romans als Het valse gewicht, Zipper en zijn vader of Hotel Savoy zijn al lang geen ‘Geheimtip’ meer.

Twee jaar geleden overleed tamelijk onverwacht Roths vaste vertaler Wilfred Oranje, waardoor de reeks werd onderbroken. Hopelijk slechts tijdelijk, want diverse schatten zijn nog steeds niet geborgen. Roths magistrale verhalen zijn bijvoorbeeld nooit compleet vertaald, en ook zijn uitgebreide journalistieke werk verdient hier te lande een grotere bekendheid.

Door zijn tijdgenoten werd Roth veelal als (ster-)journalist beschouwd. Hij was net zo beroemd als Kurt Tucholsky en Karl Kraus. Zijn journalistieke werk overtreft qua omvang zijn fictie en doet daar in kwalitatief opzicht zeker niet voor onder.

Dat blijkt ook weer uit de onlangs verschenen bloemlezing Heimweh nach Prag, waarin ruim honderdvijftig bijdragen staan (een flink aantal voor het eerst in boekvorm) die Roth tussen 1917 en 1937 schreef voor het Prager Tagblatt – een liberale kwaliteitskrant die tot de Tweede Wereldoorlog in het hele Duitse taalgebied werd gelezen.

Deze schitterende bundel laat de ontwikkeling zien die Roth heeft doorgemaakt. Als beginnend schrijver was hij nog sterk beïnvloed door het Weense impressionisme van Peter Altenberg en Alfred Polgar, die hij als zijn leermeesters beschouwde; subjectiviteit, bijzaken die uitgroeien tot hoofdzaken en stemmingsbeelden staan hoog genoteerd.

Maar al spoedig maken deze plaats voor sociale thema’s als werkeloosheid, verpaupering of het lot van vluchtelingen. In het centrum van Wenen richt hij de aandacht op een oorlogsinvalide die schoenveters verkoopt, in Berlijn raakt hij gefascineerd door stakende doodgravers.

Misleidend

In de jaren twintig reisde Roth in opdracht van diverse kranten door heel Europa, wat leidde tot sterke reportages over zijn geboortestreek Galicië en portretten van steden als Lemberg, Czernowitz of Lodz. Overigens is de titel Heimweh nach Prag ietwat misleidend, Roth zelf zou er plezier in hebben gehad. Het is deel van een citaat: ‘Wenn ich keine Sehnsucht nach Paris hätte, so hätte ich Heimweh nach Prag.’ Roth verbleef weliswaar graag in Praag, maar hij heeft er nooit gewoond en gaf de voorkeur aan Wenen of Parijs.

Een nooit verheelde afkeer had Roth van Berlijn (‘In Berlin friert man auch bei plus achtzehn Grad’) waar hij in de jaren twintig woonde. Al vroeg, omstreeks 1923, waarschuwde hij voor Hitler en zijn ‘nationaal-socialistische gardes’. Eind jaren twintig, toen de nazi’s steeds meer macht kregen, werd Roths toon nostalgischer en begon hij terug te verlangen naar de tolerante Habsburgse monarchie. Teksten als ‘Die k. und k. Veteranen’ en ‘Seine k.u.k. Apostolische Majestät’ getuigen hiervan. Net als de meeste andere bijdragen uit de bundel zijn ze briljant-lichtvoetig geschreven, ironisch en met een duidelijke hang naar de voor Roth zo typisch aforistische stijl.

Dat Roth ook in Nederland veel aanhangers had blijkt uit Waar het me slecht gaat is mijn vaderland – Joseph Roth in Nederland en Vlaanderen van de Vlaamse docente-vertaalster Els Snick. Het boekje, de bewerking van een proefschrift, gaat vooral over de ontvangst van Roth in het Nederlandse taalgebied en over zijn contacten met exil-uitgevers als Gerard de Lange of Emanuel Querido in de jaren dertig, toen Roth regelmatig in Amsterdam en Oostende verbleef en bevriend raakte met literatoren als Anton van Duinkerken, Maurits Mok of Halbo Kool.

Geheel nieuw is deze informatie niet. Ruim dertig jaar geleden hebben Koos van Weringh en Toke van Helmond hetzelfde onderwerp behandeld in een aan Roth gewijd nummer van het tijdschrift De Engelbewaarder.

Liefdesaffaire

Helaas heeft Snick nauwelijks belangstelling voor de literair-esthetische kant van Roths werk. Een plaatsbepaling van Roth binnen de literatuur ontbreekt net zo zeer als een poging om stijl en thematiek te karakteriseren. Daarentegen wordt bladzijdenlang uitgeweid over een kortstondige liefdesaffaire die Roth had met een adellijk Belgisch meisje. Ook een diefstal in Amsterdam waar de schrijver het slachtoffer van werd (De Telegraaf berichtte) krijgt royaal aandacht.

Een bekwaam stiliste kun je Snick onmogelijk noemen. In Parijs zat Roth ‘diep in de narigheid’ waardoor hij zich ‘te pletter zoop’. Als het met een vriendin niet goed gaat, luidt het: ‘Hij was er kapot van’. De emigrantenauteurs kampten ‘met een imagoprobleem’ en de geassimileerde Joden waren ‘verkeerd bezig’. Je begrijpt niet hoe iemand die zich jarenlang met de meesterstilist Joseph Roth heeft beziggehouden zulke flauwe zinnen kan opschrijven.