Liever een vogelbekdier dan een neushoorn

Artis bestaat 175 jaar // De Amsterdamse dierentuin is jarig Neushoorn en ijsbeer verdwenen, want te groot voor de stadsdierentuin Maar straks is er wel de microZOO, met organismen die voor het blote oog onzichtbaar zijn

Hij stond er met de kop omlaag, achter de dikste staven van de dierentuin. Alleen. Stil. Roerloos. Als hij met zijn neus tegen het hek stond en hij scheet, dan regende het spetters op zijn hok – zo klein was het lapje grond waarop hij leefde. Een vale kolos. Vergeten uit te sterven. Hij heette Jani.

Jani was de enig overgebleven puntlipneushoorn in het Amsterdamse Artis, nadat zijn humeurige partner Faroe op 12 april 1967 was uitgebroken en een dag lang haar ontembare gang ging. Het was de enige dag in de geschiedenis van Artis – die 175 jaar bestaat – dat de dierentuin werd gesloten.

Faroe haalde de voorpagina’s van de meeste dagbladen. Een verslaggever van het Algemeen Handelsblad schreef: „Het dier bedreigde al onmiddellijk een dame, die gelukkig nog de tegenwoordigheid van geest had achter een bankje te vluchten, voordat zij flauw viel.” Het zinnetje had woordelijk kunnen staan in het Gouden Boekje Cornelis de Neushoorn, die dieren en mensen en auto’s aanvalt tot hem de juiste bril wordt aangemeten: hij zag de mist in zijn blikveld aan voor gevaar.

Terwijl de bezoekers van Artis naar buiten werden geloodst, stormde Faroe („het anderhalve ton wegende gevaarte”, schreef het Handelsblad) dwars door het hekwerk het antilopenperk in. En toen ze daar genoeg van had, zette ze haar kop tegen het gaas en stond ze weer op het wandelpad. Tot ze door zeven pijltjes met het verdovingsmiddel nicotine in kop en lendenen ineenzeeg. Diezelfde avond stierf ze. Het financiële verlies, schreef een andere krant, was 20.000 gulden. „Een neushoorn”, zegt toenmalig verzorger Willem Meijlink, „is geen dier waar je compromissen mee sluit.”

Elk kind dat in de jaren zeventig naar Artis ging voor de aaibare apen of de ontzaglijke olifanten, stuitte ook op dat eenzame gepantserde wezen dat met zijn kooi aan die van de olifanten grensde. Er zat geen greintje behaagzucht aan. Het pantser hing als een stoffige zak om zijn ledematen. De verhoudingen van zijn lichaam leken geschapen door een beginnende beeldhouwer. Maar wat een kracht. Gauw door naar de ijsbeer!

De dierentuin die Artis toen was, bestaat niet meer. Aan de laan achter de ingang staan geen papegaaien meer op een stok. Er is wel een planetarium, maar geen badkuip meer voor het nijlpaard. Er is een savanne gekomen en een vlindertuin, maar de neushoorns zijn verdwenen en de ijsberen ook. De kans dat ze ooit terugkeren is minimaal en dat komt niet omdat de puntlip, een van de vijf neushoornsoorten, tot de ernstig bedreigde diersoorten behoort. En ook niet omdat er nu eenmaal geen gejaagd wild meer de dierentuin in komt. „Wij kopen geen dieren”, zegt Artis-directeur Haig Balian. „Een enkele vis misschien nog. Maar zeker geen zoogdieren. Wildvang wordt sinds de jaren zestig niet meer geaccepteerd. In dierentuinen wordt nu gefokt en uitgewisseld.”

Het Artis van de 21ste eeuw is een dierentuin die andere keuzes maakt dan die van 1838 en zelfs dan die van 1970. Vroeger, zegt Balian, sinds tien jaar directeur, zetten ze de architectuur neer en werden de dieren erin geplaatst. Nu volgt het ontwerp van de dierenverblijven zo goed als het kan de biotoop van de dieren – vandaar de savanne. In de jaren zeventig was het streven nog om zoveel mogelijk diersoorten te tonen. Artis, zegt oud-verzorger Meijlink, was toen hij er in 1963 kwam werken de derde dierentuin ter wereld naar aantal soorten. En ze stonden allemaal in kleine ‘taartpuntjes’, buitenverblijven van enkele vierkante meters. Antilopen. Lippenberen, Maleise beren. Gestreepte hyena’s, bruine hyena’s, jakhalzen. In het apenhuis woonden nog gorilla’s, chimpansees en orang-oetans.

Aan het hoofd van Artis hadden altijd collectioneurs gestaan, zegt Balian. „En verzamelaars hebben een volledigheidsneurose.” Toen hij aantrad, stonden er zestien soorten vogels op het vogeleiland, waaronder twee soorten flamingo’s. Nu is het eiland omgebouwd en wonen er lemuren, apenneefjes uit Madagascar.

„Ik heb met soorten gewerkt waar de huidige generatie nooit van heeft gehoord, laat staan gezien”, zegt Meijlink. „Die zijn weg en ze komen nooit meer terug.” Hij begon als vijftienjarige jongen bij de sectie van de neushoorns, de olifanten en de wolven. Veel schoonmaken, goed leren kijken. Ja, hij was er bij, de dag dat Faroe ontsnapte. Nu is dat „inschieten”, zoals hij het verdoven noemt, normaal. Bij alle dieren, klein of groot. Vroeger werden de kleinere ontsnapte dieren gevangen. Meijlink is op waterbokken gesprongen, achter een miereneter aan gekropen. Mag allemaal niet meer van de Arbowet. Dat waren ook de jaren dat hij met een nieuwe olifant over de Plantage Middenlaan naar een naburige garage wandelde om hem op de weegbrug te zetten.

Geen misverstand: dat de taartpuntjes hebben plaatsgemaakt voor de biotopen is heel goed, zegt Meijlink. Dat zorgvuldig wordt gefokt en geruild ook, al ziet hij wel dat de dierentuinen daardoor steeds meer op elkaar beginnen te lijken. Voor uitzonderlijke dieren moet je weer naar de wildernis.

Komt de neushoorn nooit meer terug in Artis? Persoonlijk mist directeur Haig Balian de neushoorn ook. Hij lijkt log, maar hij is snel. Hij heeft die maffe vorm, als een auto uit de jaren 50. Het is alsof je de prehistorie een hand geeft. „Als wij naar onze collectie kijken, hoort de neushoorn in Artis.”

Maar wáár dan? „Een neushoorn past best op onze savanne. Maar dan moet je daar een neushoorn-proof binnenverblijf maken. Dat is een aanpassing van, zeg, twee ton. En dan vraag ik me af: is hij nu prioriteit? Ik zou het liefst een platypus willen, een vogelbekdier. Maar dan kan ik weer een paar gebouwen voorlopig niet opknappen. Of de ijsbeer. Is er voor een solitair levend dier plaats op de veertien hectare die Artis beslaat?”

Op die beperkte ruimte wil Artis meer laten zien dan alleen dieren. Bomen, monumentale gebouwen, sterren in het planetarium – midden in de stad. Balian, ooit filmproducent, werkt al jaren aan een compleet nieuw universum voor zijn dierentuin. De microZOO. Een collectie van voor het blote oog onzichtbare micro-organismen die „ergens in 2014” te zien zal zijn. „Een revolutie in de dierentuin”, zegt Balian. „90 procent van die wezens is onbekend. In de veelvormigheid en de extremiteit. Daar ga je je neushoorn weer zien.”