Liegen als vorm van intimiteit

Stephen Grosz: The Examined Life. How We Lose And Find Ourselves. Chatto&Windus, 225 blz. € 19,-

Het is op de een of andere manier prettig om te lezen over de problemen van anderen. Liefst rare problemen die je zelf niet hebt, die mooi in elkaar zitten en waarvan je iets leert over hoe andere mensen denken en in het leven staan. De Britse psychoanalyticus Stephen Grosz heeft dat soort problemen verzameld in zijn eerste boek The Examined Life, dat ook onlangs bij Atlas Contact is verschenen in Nederlandse vertaling door Robert Dorsman, onder de titel Het leven. Een handleiding. Het zijn verhalen van zijn patiënten waarin de details waaraan specifieke personen te herkennen kunnen zijn, uiteraard zijn veranderd.

Sommige verhalen zijn perfecte psychische puzzeltjes: waarom heeft deze persoon dit, hoe kan het dat hij of zij hier last van heeft, zo denkt, zich zo gedraagt? Een man met depressieve klachten heeft een heel safe house in Frankrijk bij elkaar gefantaseerd. Hij schaamt zich ervoor, maar er zijn dagen dat hij er elke vrije minuut doorbrengt. Want zijn moeder sloeg hem vroeger; in zijn fantasie was hij veilig.

Een andere man liegt voortdurend, maar heel slecht. Iedereen heeft hem door, maar het is zo gênant dat niemand er iets van zegt. Volgens de analyticus zoekt deze man op die manier intimiteit. Zijn moeder verschoonde altijd zijn nat geplaste bed zonder iemand erover te vertellen, die grote leugen deelden ze; nu wil hij met andere mensen grote leugens delen.

Zit het echt zo? Het kan, en si non è vero, è ben trovato, als het niet waar is, is het in elk geval een mooi verhaal. Het zijn stuk voor stuk mooie, ontroerende verhalen. Maar helpen die inzichten in de herkomst van hun lijden Grosz’ patiënten? Die suggestie wordt wel gewekt: als de patiënt weet waar het probleem vandaan komt, lijkt dat vanzelf over te gaan – daar stoppen althans de verhalen.

Neem een uiterst agressief autistisch jongetje, die elke sessie de analyticus in het gezicht spuugt. Wil het jongetje woede opwekken en zo de volle aandacht van zijn analyticus krijgen? Wil hij gestraft worden, voelt hij zich schuldig? Wil hij de analyticus afwijzen voordat hij zelf afgewezen wordt?

Grosz puzzelt zich suf, en ontdekt uiteindelijk: zolang de psychiater boos is, en dus denkt die dat het jongetje zich ánders zou kunnen gedragen, dat er nog iets gerepareerd kan worden, is dat prettig voor de jongen. De woede geeft hoop. In het echt kan de jongen niet gerepareerd worden, zijn hersens werken niet normaal en daar zit hij enorm mee. Nadat ze dit samen verwoord hebben, gaat het toch veel beter met de jongen. Niet elke therapie heeft dat soort inzichtmomenten en niet elk inzicht zal de patiënt meteen helpen. Maar de vraag of psychoanalyse werkt, blijft prettig buiten beeld in dit boek. Wat rest zijn de mooie verhalen, menselijke sudoku’s, die Grosz prachtig vertelt. Ze lezen als goede fictie.