Lekker doen wat God verbiedt

Dirk Ayelt Kooiman (1946) auteur,schrijver.foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Amsterdam,4 september 2007 ©Vincent Mentzel 2007

God straft onmiddellijk. Die gedachte kwam in me op na het lezen van Het geheim van Carmen, de nieuwe verhalenbundel van Dirk Ayelt Kooiman. Weliswaar is geen van zijn personages gelovig en wordt God geen enkele keer aangeroepen, maar er is iets onmiskenbaar gereformeerds aan deze verhalen.

Alle drie staan ze in het teken van schuld en boete, zonde en berouw. In het titelverhaal, dat zich afspeelt in de jaren vijftig, is de boosdoener een ongeveer 17-jarige. Hij geeft zich regelmatig over aan ‘een als ziekelijk bekendstaande gewoonte’, zoals hij het zelf preuts uitdrukt. Masturbatie dus. ‘Het was sterker dan hij. Goede voornemens, plechtige geloften overtrad hij keer op keer.’

Een oplettende scholier is hij ook al niet. Hij leest liever zelf boeken, van Kafka, Dostojevski of Dickens, dan stof opgedrongen te krijgen van leraren. Hij spijbelt dan ook geregeld. Als zijn vader daar lucht van krijgt, wordt hij ontboden in diens studeerkamer.

De gang van zaken in huis ligt vast. Vader is altijd doende met belangrijk ‘schrijfwerk’ en deelt de lakens uit, terwijl moeder in haar mouwschort het petroleumstel bedient. Ook de studeerkamer doet onwrikbaar aan: ‘De ruimte, spaarzaam beschenen door de lampjes van een bescheiden kroonluchter, werd gedomineerd door een vrijstaand bureau, massief als een bolwerk.’

We komen verder nog te weten dat vader ‘ongewoon bleek’ is, en van mening is dat zijn zoon een nagel aan zijn doodskist is. Als zoonlief zich dan op zijn beurt laat ontglippen dat pa dood kan vallen – dan weten we genoeg. Het gaat niet goed aflopen met vader (hartaanval) – en ook niet met de zoon. Hij zal verder moeten leven met de drukkende gedachte dat hij, in zekere zin, zijn vader heeft vermoord.

Zoenen

In het middelste verhaal, ‘Het eeuwige verraad’, zien we weer dat seksuele verlangens in verband worden gebracht met rampspoed en spijt. Het is 1943 of 1944. Een jongeman neemt samen met een meisje, met wie hij in het bos heeft liggen zoenen, deel aan een gewapende overval op een kantoor van de bezetter. Terwijl hij op wacht staat, maakt de rest van de verzetsgroep distributiebonnen buit. Ziet hij ‘de moffen’ te laat aankomen, omdat hij alleen maar aan het meisje denkt? Of is het een samenloop van omstandigheden?

Hij waarschuwt nog, maar de hele groep wordt opgepakt. Alleen hijzelf weet te ontkomen. De rest van zijn leven houdt hij wroeging, lezen we in een korte epiloog. ‘Het verhaal van zijn eerste liefde neemt hij mee in zijn graf.’ Waaruit het door Kooiman kennelijk weer is opgedolven.

Ook het laatste verhaal speelt zich af in een voorbije tijd: de jaren zestig en zeventig. We maken kennis met een typisch Kooimanpersonage: een beschaafde nietsnut, een man die niet aan de ratrace wenst mee te doen – en zich dat ook kan permitteren omdat hij van rijke komaf is. Hij is dik tevreden met zijn vrijetijdsleven. Totdat ineens het geld op is en hij in actie zal moeten komen.

In alle drie verhalen draait het om tegendraadse types, die het anders doen dan anderen. Ze willen niet naar school, ze doen wat God verboden heeft, ze tarten het gezag, of ze houden zich strikt afzijdig. De jongen uit het titelverhaal karakteriseert zichzelf als een avontuurlijk type. Maar het rare is dat die tegendraadsheid of die avontuurlijkheid in de stijl of in de toon niet terug te vinden is.

Krulletjeshaar

Er valt in deze bundel niets te ontdekken, omdat alles al tot in de puntjes vastligt. ‘Hij was slank van postuur, vitaal en charmant, terwijl zijn weerbarstige krulletjeshaar, zijn blinkend witte pochet en zijn kortgeknipte snorretje hem de vlotheid gaven van een Franse chansonnier’ lezen we, veel te gedetailleerd, over een bijfiguur. Of over een kokette dame: ‘Hoewel intussen dichter bij de veertig dan bij de dertig, was ze, naderend op hoge hakken, in haar getailleerde mantelpakjes met korte rok, nog steeds een imponerende verschijning.’

Het geheim van Carmen is een ouderwets alwetend boek. Degelijk, bezadigd, bloedserieus – en behoorlijk saai. Een heel verschil met Kooimans satirische, lichtvoetige roman Victorie (2001). Een heel verschil ook met zijn vorige verhalenbundel Oefenen in ontsnappen (2007), die puntiger en indringender was. Deze verhalen kabbelen maar voort, of er nu een kopje thee wordt gedronken of een potje gevrijd, of er nu een kaartje wordt gelegd of een gewapende overval gepleegd.

Maar op de valreep, ergens halverwege het lange slotverhaal, wordt het boek dan toch nog gered. De nietsnut in ‘Schuld en boete’ schakelt, gedwongen door geldnood, zijn geweten tijdelijk uit. Hij beraamt een aanval met wurgkoord op een cafébaas, die een kluis heeft vol bankbiljetten. De bloedstollende episode met het wurgkoord vormt zonder meer het hoogtepunt van de bundel. Daar klinkt ineens toch nog, met een knipoog naar Dostojevski, de oude, speelsere Kooiman door, die zijn lezers durft te verrassen.

Ook de afwerking van het verhaal mag er trouwens zijn. De man van het wurgkoord moet zijn geldzucht al na een dag bezuren. Want de grootste zondaar uit Het geheim van Carmen wordt natuurlijk het snelst en het zwaarst gestraft.