Klein kind niet weten wat is mens

De laatste jaren werden verschillende romans, zoals Hans Fallada’s Alleen in Berlijn, met succes gereanimeerd. Zal Naakt onder wolven, dat zich afspeelt in kamp Buchenwald, ook een comeback maken?

Close up of a child boy who survived the concentration camp in Buchenwald. He wears a small uniform and is sat down on the foot-board of a lorry of UNRRA (United Nations Relief and Rehabilitation Administration). Germany, 1945. (Photo by Mondadori Portfolio via Getty Images) Mondadori via Getty Images

Sommige boeken hebben meer levens. En boeken die met literaire middelen de gruweljaren van de Tweede Wereldoorlog willen verbeelden vormen daarop geen uitzondering. Het Achterhuis, een gestileerd dagboek, werd pas tien jaar na verschijning (1947) een wereld-seller – nadat er een toneelstuk en een film van was gemaakt. In de ban van de tegenstander van Hans Keilson, ook uit 1947, deed er ruim een halve eeuw over om nieuwe lezers te vinden – met dank aan een jubelrecensie in The New York Times.

In Nederland lijkt uitgeverij Cossee patent te hebben op dit soort reanimaties. Zie het succes van Hans Fallada’s Alleen in Berlijn, eveneens uit 1947. Een roman waarin alledaags fascisme tot in zijn haarvaten ontleed wordt, maar kleine mensen toch de moed vinden om ‘nee’ te zeggen. Een contrast dat in de heruitgave nog scherper naar voren komt, omdat het teruggevonden oermanuscript het bruine verleden van de hoofdpersonen niet verdoezelt.

Zal Naakt onder wolven, een roman gesitueerd in concentratiekamp Buchenwald, eenzelfde comeback beleven? De oorspronkelijke Oost-Duitse uitgave uit 1958 was een wereldsucces. Dat wil zeggen: in de communistische wereld. Tot 1990 werden er in de DDR twee miljoen exemplaren van verkocht. In de reëel bestaande socialistische broederlanden en via communistische uitgeverijen in het Westen gingen één miljoen exemplaren over de toonbank. In Nederland prijkte het boek op de fondslijst van Pegasus.

Die Pegasus-vertaling is door Cossee opnieuw uitgebracht, in dezelfde Century-reeks als Alleen in Berlijn. Grondig en vakkundig herzien, met een zeer informatief nawoord en aangevuld met diverse passages. Want ook bij Naakt onder wolven blijkt het oermanuscript meer nuances te bevatten dan de Oost-Duitse cultuurbonzen destijds goed achtten.

De hoofdrol in Naakt onder wolven, zij het zonder tekst, is weggelegd voor het driejarige Joodse weesjongetje Stephan Cyliak, gemodelleerd naar, maar niet samenvallend met, een ‘echte’ Stefan. In maart 1945 wordt hij vanuit Auschwitz-Birkenau, waar zijn vader en moeder vergast zijn, met een laatste evacuatietransport naar concentratiekamp Buchenwald gestuurd. Verstopt in een koffer passeert hij het ijzeren hek met het striemende ‘Jedem das Seine’. Enkele weken later, op 11 april 1945, draagt een gevangene hem in triomf langs datzelfde hek naar buiten. ‘Als een notendop dobberde het kind boven de deinende hoofden.’

Enkele weken Buchenwald duren in het voorjaar van 1945 enkele maanden, zo niet jaren. Het kamp is in 1937 opgericht om politieke tegenstanders weg te stoppen – Bruno Apitz was een van hen. Al snel groeit het uit tot een infernale slavenmarkt voor tientallen buitencommando’s en buitenkampen. De Duitse communisten krijgen gezelschap van Jehova’s Getuigen, beroepsmisdadigers, ‘asocialen’ en homoseksuelen. Na het uitbreken van de oorlog volgen honderden zigeuners en duizenden joden. Vanaf begin 1945 stromen geëvacueerde gevangenen uit de kampen in het oosten toe. Buchenwald moet plaats bieden aan 50.000 ontmenselijkte mensen. Die plaats is er niet.

Giftige spuit

De paardenstallen, overhaast als mensenstal in gebruik genomen, dampen van zweet, pis en drek. Dysenterie, tyfus en vlektyfus slaan toe. Medische zorg is er nauwelijks, behalve een giftige spuit. Het crematorium maakt overuren. Het concentratiekamp verandert de facto in een vernietigingskamp. Ondertussen wordt de strop van Russische troepen in het oosten en Amerikaanse troepen in het westen steeds strakker aangehaald. Elke dag worden duizenden gevangenen halsoverkop per trein of te voet naar het centrum van het Derde Rijk gejaagd. De Joden het eerst; die buit mag de SS niet ontglippen. De meesten van hen sterven in de berm, in een veewagon, of na aankomst.

Stephan blijft dit bespaard. Gevangenen sparen brood uit hun mond, of stelen dat voor hem. En hij wordt verstopt. Eerst in de bagagebarak, later in de ziekenbarak en de varkensstal, naast een knorrende, drachtige zeug. Al die tijd geeft hij geen kik. Omdat, aldus een Poolse gevangene in kamp-koeterwaals: ‘Klein kind niet weten wat is mens. Het alleen maar weten wat is SS en wat is gevangenen.’

Aanvankelijk komt al die moedige, onbaatzuchtige hulp spontaan op, in een opwelling. Na een tijdje wordt het echter een zaak van het Internationale Lagerkomitee (ILK), bemand door doorgewinterde partijcommunisten, onder wie de Nederlander Van Dalen met zijn ‘goedmoedige boksersgezicht’. Als enkelen van hen verraden en gemarteld worden, geven ze de schuilplaats van Stephan Cyliak niet prijs. Tot de dood erop volgt.

Het ILK vormt de top van een piramidale verzetsorganisatie, die uit zo’n duizend man bestaat. Direct onder de top komen de voormannen, de kapo’s. Als verlengstuk van de kampcommandant en zijn zwart gelaarsde adjudanten dienen ze orde en rust in de barakken en arbeidscommando’s te waarborgen, desnoods met geweld. Ze geven hun ogen en oren goed de kost, en proberen het kampregime te verzachten. Ook plegen ze sabotage. En er worden wapens gestolen: om de Amerikanen in de eindstrijd een handje te helpen.

Het zijn geprivilegieerde machtsposities, in een jarenlang gevecht veroverd op de beroepsmisdadigers. Maar macht corrumpeert, zeker als je kunt bepalen wie er op transport moet, en wie niet. In de werkelijkheid buiten het boek ervaren verschillende gevangenen die – relatieve – macht van de rode kapo’s als terreur en willekeur. Kort na de oorlog protesteren ze er luidruchtig tegen, ook in Nederland. Zonder het te beseffen zitten ze daarmee op één lijn met de Oost-Duitse communistenleider Walter Ulbricht. En die heeft echt macht. Het nawoord onthult dat op zijn instigatie in de jaren vijftig sommige ex-kapo’s van Buchenwald als oorlogsmisdadiger zijn afgevoerd naar de goelag. Gebroken, of als lijk, keren ze terug.

Karakter

Apitz schreef zijn boek mede om de ‘Buchenwaldvaders’ te rehabiliteren. Hij trekt veel tijd uit om karakter en modus operandi van het ILK in kaart te brengen, waardoor zijn spannende verhaal pas laat op gang komt. Bovendien doorspekt hij zijn uitleg met communistisch jargon, weggelopen uit Lenins Wat te doen. Het gaat erom ‘een goede verstandhouding tussen de volkeren te bewerkstelligen en met behulp van de besten onder hen het solidariteitsgevoel […] te stimuleren.’ Maar de medeplichtigheid van de ILK’ers bij het toedienen van gifinjecties en het selecteren voor transporten verhult hij niet: ‘Ze wisten waarvoor ze misbruikt gingen worden.’

Tegelijkertijd wil Apitz laten zien hoe de gevoelens die het kwetsbare ‘jodenkindje’ oproept bressen slaan in de gepantserde communistische retoriek. De beschrijving van die gevoelens is echter niet veel meer dan het benoemen ervan: medelijden, medemenselijkheid, ontroering. Of ze neigt naar het sentimentele, de kitsch: ‘Zwijgen, opeengeperste lippen, een vaag wegglijden van gedachten naar de verte, waar een vrouw wachtte, kinderen, of een moeder of een meisje…’ Lijden gaat de auteur en zijn hoofdpersonen duidelijk minder goed af dan strijden. Zoals een van hen zegt: ‘Omdat de verbeeldingskracht tekortschoot, was ook de taal te arm.’ Een treffend zelfportret.