In de ban van een kosmische grap

Johan de Boose stapte in de vulgaire wereld van het oude Rome. Moeten we zijn slimme, intellectualistische historische roman over decadentie en theatraliteit ernstig nemen?

Artist Henryk Siemiradzki (1843–1902) Alternative names ???????: ?????? ??????????? ???????????Deutsch: Heinrich von Siemiradzki Description Polish painter Date of birth/death 24 October 1843 23 August 1902 Location of birth/death Nowobielgorod Strzalków Authority control VIAF: 54924066 ·LCCN: n86045453 ·GND: 117366498 ·ULAN: 500011299 ·ISNI: 0000?0001?2133?7815 ·WorldCat ·WP-Person Title Deutsch: Neros Fackeln (Weisendes Licht des Christentums). English: Nero's Torches (Christian Candlesticks). Suomi: Neron soihdut (Kristinuskon johtava valo). Polski: Pochodnie Nerona (Swieczniki chrzescijanstwa). Date 1876 Medium oil on canvas Dimensions 305 × 704 cm (120.1 × 277.2 in) Current location National Museum, Kraków Native name Muzeum Narodowe w Krakowie Location Kraków Coordinates 50° 3' 36.0? N, 19° 55' 26.0? E Established 1879 Website www.muzeum.krakow.pl Kraków Notes Gallery of 19th-Century Polish Art at Sukiennice Source/Photographer www.abcgallery.com Permission (Reusing this file) Copyright expired, PD-Art

De mensheid heeft zijn langste tijd gehad, het einde is nabij. Daarover bestaat geen twijfel bij Gaius, een Romeins theatertechnicus uit Galilea, halverwege de eerste eeuw na Christus. (Of beter: in de achtste eeuw ab urbe condita, na de stichting van de stad.) Maar, mijmert hij, is het naderende einde erg? Nee, meent hij, waarom? ‘Konden we ons betere filosofen voorstellen? Een grotere literatuur? Een machtiger imperium? Wij waren klaar, de laatste etappe in de ontwikkeling van het mensdom was ingezet. De opwaartse beweging was afgelopen, nu gingen we bergaf, steeds harder.’

Waar alles afloopt en God noch gebod een belemmering vormen, kan de decadentie welig tieren. De roman Gaius staat dan ook helemaal vol met overdadige banketten, sadistische hoererij van tere minderjarige slaafjes van beiderlei kunne, en ondertussen vliegen de excrementen ons om de oren. Het leven in deze Romeinse roman is eten, neuken, schijten. Niet noodzakelijkerwijs in die volgorde, maar wel meestal tegelijkertijd.

Keizer Nero

Wie de voorgaande alinea doorstaan heeft, is van harte welkom in het Romeinse Rijk van Johan de Boose, die het overigens veel bloemrijker en nog veel smeriger kan zeggen. Neem bijvoorbeeld zijn beschrijving van een feestmaal aan het hof van de decadentste aller decadenten, keizer Nero, met op het menu onder meer ‘lamshersenen in zoute eiermelk, Scythische berkensaus en geroosterde sabelsprinkhaan’. Die beschrijving sluit De Boose zo af: ‘Het dessert was een piramide, bestaande uit driehonderd met room bestreken meisjes die door de eregasten konden worden afgelikt.’

Stilistische volheid mag geen verrassing heten, na het imposante Bloedgetuigen (2011), al zijn er minder exuberante uitspattingen dan in die vorige grote roman. Was de lezer na Bloedgetuigen uitgeput ‘als een soldaat na de slag om Leningrad’, zoals een moegestreden criticus destijds optekende, dan voelt de lezer zich na Gaius hoogstens dronken – zo stomdronken als je van taal kunt worden, omdat je een zware wijnzak, gevuld met de rijkste godenwijn, tot de laatste druppel hebt leeggedronken. Let wel: gódenwijn.

De zinnen hebben zowel de puurheid als de vunzigheid van Catullus, de volle compactheid van Tacitus, en de Vlaming Johan de Boose (1962) doet met zijn bloemrijke Nederlands niet onder voor Erwin Mortier en met zijn misantropische mensbeeld niet voor Dimitri Verhulst – en dat alles in een slimme, intellectualistische historische roman over decadentie en theatraliteit.

Gaius begint wanneer Gaius, maker van deus ex machina’s voor theaters, aankomt in ‘de oksel van de wereld’, in Belgica, waar hij spoorslags uit Rome naartoe is gereden. De dood zat hem op de hielen. Hij wordt welkom geheten in de zwaar bewaakte villa van zijn oude makker Crapularius, een wufte wapenhandelaar die daar in alle luxe van zijn oude dag geniet. Genieten zit er voor Gaius nog niet in. Hij piekert. Voordat hij zich kan overgeven aan de zoete apatheia (de zorgeloosheid, de innerlijke rust) moet hij zijn relaas doen, van zijn omzwervingen van het Oost-Romeinse Nazareth, via Klein-Azië naar het Griekse vasteland, langs het orakel van Delphi, verder naar Rome, en daar weer vandaan. Crapularius biedt het luisterende oor.

Het beginpunt Nazareth is niet willekeurig. De motor achter alle gebeurtenissen is de opmars van de ‘vissenaanbidders’, de ‘bende van de ongewassen voeten’ – zoals de Romeinen de volgelingen noemen van de timmermanszoon Jesjoea, beter bekend als Jezus Christus. ‘Er liepen veel beunhazen rond in die dagen, maar zijn pedante, meisjesachtige stem, die ik geregeld hoorde in het bordeel, klonk boven alle anderen uit,’ mort Gaius. Hij en Jesjoea bezoeken dezelfde hoer, maar Jesjoea wordt gekruisigd en Gaius wordt verliefd op het hoertje, de mooie Maria Ana, en jarenlang leven zij gelukkig samen. De geloofsstrijd drijft uiteindelijk een wig in hun relatie: zij werd toch dieper geraakt door Jesjoea’s leer dan hij, die conservatief en angstig de oude Romeinse goden blijft eren. Wanneer Jesjoea’s heengaan al jaren geleden is en er een permanente heksenjacht op christenen gaande is, verkommert zij alsnog. En dan wordt Gaius naar Rome ontboden, door keizer Nero zelf.

Platonische dialoog

Het verhaal heeft de vorm van een platonische dialoog en wordt allengs filosofischer, met gesprekken die raken aan de rol van religie, de schoonheid van kunst en de schoonheid van pijn – met moraal en decadentie als leidende motieven. Naar Plato’s voorbeeld worden de gedachten en discussies voortdurend onderbroken, want daar is altijd weer Crapularius, die het allemaal als jolig amusement ziet. Terwijl hij Gaius’ levensverhaal aanhoort, doet zijn kameraad niets liever dan zijn slaafjes sodomiseren, zijn endeldarm legen en zwaaien met zijn fallus. Ook op klassieke leest geschoeid, zullen we maar zeggen; de Romeinen konden er ook wat van met hun kluchten vol onderbroekenlol. En ach, talrijker dan de momenten waarop de smerigheid je te veel wordt, zijn de keren dat de lol net de nodige lucht of zelfs een Life of Brian-achtig comic relief brengt. De immer barokke beschrijvingen, de theatrale dialogen en de uitgesponnen wezensvragen gaan je ook niet in je koude kleren zitten.

Maar de literaire compositie van De Boose is ook zo vernuftig dat hij vrolijk maakt. De ernstige gesprekken die plaatsvinden tegen het volstrekt amorele decor van Crapularius’ Sodom-en-Gomorra-villa, de mooischrijverij van de smeerpijperij – dat alles dient een literair doel. De vraag dringt zich op hoe ernstig dit allemaal genomen moet worden. Neemt er nog iemand iets serieus? Hoever gaat de decadentie van de mannen eigenlijk? Hebben zij nog een greintje menselijkheid in hun donder?

Aan het hof van Nero komt Gaius voor een verscheurende morele keuze te staan, met een tragische afloop. En hij is er getuige van dat het einde der tijden niet de christenen te verwijten is, maar dat de beruchte brand van Rome door de decadente keizer zélf wordt aangestoken.

Draait Gaius dan uit op een tragedie? Ja en nee. Toen Gaius aan Nero’s hof in contact kwam met de dichter Pretonius, die werkt aan zijn Satyricon, noteerde hij: ‘Ik zag die kroniek als een tragedie, maar voor de auteur was het een machtig spel, een kosmische grap, net zoals het hele leven.’ Dat geldt evengoed voor de ‘kroniek’ die Gaius is: het tragische verhaal blijkt óók een spel. De deus ex machina die in het laatste hoofdstuk uit de hemel valt, is natuurlijk onvermijdelijk in een verhaal over een deus ex machina-maker, maar hij is ook werkelijk verrassend. Alles blijkt theater, alles blijkt spel, zonder dat dat afgedaan wordt als jolig amusement of postmoderne willekeur. Het gaat om misschien wel het meest decadente spel denkbaar: het spel dat gaat om leven en dood.

Waar de personages door de hele roman heen zoeken naar goden die het leven betekenis geven en het lot in handen houden, blijken de mensen zelf de grootste poppenkastspelers: zij zijn degenen die de touwtjes van de fantasie in handen hebben. Alle maskers vallen af, leugens komen aan het licht, en het spel dat De Boose met ons heeft gespeeld, blijkt inderdaad machtig. Of de reikwijdte van zijn grap waarlijk kosmisch is, moet nog blijken: Gaius is het eerste deel van een aangekondigde trilogie, die verschillende ‘laatste etappes’ in de ontwikkeling van het mensdom met elkaar moet verbinden. Als de vervolgdelen zo goed zijn als Gaius, kan het nog een mooie grap worden.