Honger in Somalië: 260.000 doden

De hongersnood in Somalië was één van de ergste van de laatste 25 jaar. Onder de slachtoffers waren vooral kinderen.

Het dodental van de hongersnood in Somalië blijkt veel hoger dan gedacht. Bijna 260.000 mensen zijn tussen 2010 en 2012 overleden als gevolg van ondervoeding, de helft kinderen onder de vijf jaar. Daarmee is het één van de ernstigste hongersnoden in de afgelopen kwart eeuw. Dat blijkt uit nieuw onderzoek van de voedsel- en landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO), en de Famine Early Warning Systems Network (FEWS NET) van het Amerikaanse agentschap voor ontwikkelingshulp.

Voor het eerst zijn de contouren van deze menselijke tragedie in Centraal- en Zuid-Somalië duidelijk geworden. Cijfers over slachtoffers van hongersnood in ontwikkelingslanden zijn altijd nogal onbetrouwbaar. In Somalië lopen zelfs schattingen van het inwonertal ver uiteen. Vanwege een gebrek aan gegevens konden de VN tijdens de hongersnood geen dodental vaststellen. Wel waren er later schattingen, zoals van de Britse regering, dat er tussen de 50.000 en 100.000 doden waren.

De nieuwe cijfers zijn de beste tot nu toe. „Het schatten van dodentallen in noodsituaties is altijd een onnauwkeurige wetenschap”, zei Chris Hillbruner van FEWS NET bij de presentatie van het rapport, „maar gezien de kwantiteit en kwaliteit van de gegevens die voor handen waren zijn we overtuigd van de kracht van het onderzoek”.

Voor het rapport is gebruik gemaakt van ruim tweehonderd onderzoeken naar voeding en sterfte, die de FAO en de Food Security and Nutrition Analysis Unit in Zuid- en Centraal-Somalië hebben uitgevoerd. Deze gegevens zijn aangevuld met cijfers over voedselzekerheid en voedselprijzen en schattingen van de bevolkingsaantallen. Op basis hiervan hebben specialisten een „statistische schatting” gemaakt.

De schatting van het dodental in de vluchtelingenkampen in Kenia en Ethiopië zijn minder hard, geven de FAO en FEWS NET toe, aangezien die zijn gebaseerd zijn op veronderstellingen van onderzoekers en niet op een statistische benadering.

De hongersnood was het gevolg van een combinatie van factoren. Er was een La Niña op komst, een weersfenomeen dat in Oost-Afrika leidt tot droogte in de doorgaans natte periode aan het einde van het jaar. Zuid- en Centraal-Somalië kampten met de slechtste oogst in zeventien jaar.

De situatie verergerde door de burgeroorlog. Gereedschap om het land te bewerken werd gestolen door milities, mensen raakten werkloos en voedsel werd onbetaalbaar. Het schaarse eten dat er was, werd door de milities gestolen. Aan humanitaire hulp was een gebrek omdat organisaties nauwelijks toegang hadden tot de regio’s die onder controle stonden van de islamitische terreurorganisatie Al-Shabaab.

Daarbij kwam hulp te laat op gang, ook al was de wereld gewaarschuwd. Het Famine Early Warning Systems Network zag de hongersnood al een jaar van tevoren aankomen. Toch kwam pas internationale actie nadat er beelden van ernstig verzwakte kinderen verschenen in de media. „Dan ben je al te laat”, zegt Marthe Everard, de Somalië-directeur van de gezondheidsorganisatie WHO.

Toch zou een snellere reactie veel sterfgevallen in het door Al-Shabaab gecontroleerde gebied niet hebben kunnen voorkomen. Zelfs het Wereldvoedselprogramma, doorgaans de grootste voedselverstrekker bij rampen, had zich onder druk van de terreurgroep teruggetrokken.

Tienduizenden Somaliërs liepen honderden kilometers om de kampen in Kenia en Ethiopië te bereiken. Veel ouders moesten hun kinderen achterlaten omdat ze te zwak waren om de lange weg af te leggen. Andere families wilden niet stoppen om te helpen, bang als ze waren dat ze zelf niet zouden overleven.

Sinds het einde van de hongersnood is de situatie in Somalië flink verbeterd. Al-Shabaab is verdreven uit grote delen van het land. Met de verkiezing van een nieuwe president is er veel optimisme over een einde aan de 21 jaar oude burgeroorlog, al blijven de problemen gigantisch.