Hoge Raad handhaaft rechtmissers

Het geklaag over werkdruk in de rechterlijke macht heeft bij de Hoge Raad tot een nieuwe koers geleid: het in stand houden van juridische fouten. Een heel slechte zaak, vindt Willem Jebbink.

Stel u voor: u wordt strafrechtelijk vervolgd en ten onrechte veroordeeld. U belandt uiteindelijk bij de hoogste rechter, die de onjuiste veroordeling opmerkt. Maar de rechter vindt dat uw advocaat daarover formeel had moeten klagen. Omdat hij dat niet heeft gedaan, wordt u niet vrijsproken en zit u voorgoed vast aan iets wat u helemaal niet gedaan hebt.

Een dusdanig formalistische houding van een rechter verwacht men misschien in schimmige staten met dubieuze en corrupte regimes. Het is echter sinds enige tijd de houding van onze eigen Hoge Raad in strafzaken. Een zorgwekkend voorbeeld van deze nieuwe koers is de veroordeling van oktober vorig jaar van een minderjarige jongen. Deze werd vervolgd wegens het niet-opvolgen van een bevel van de politie.

Zowel de advocaat-generaal bij de Hoge Raad (die in elke zaak adviseert of een veroordeling geldig is) als de Hoge Raad zelf zagen dat de politie het bevel niet had mogen geven omdat de bevoegdheid daartoe ontbrak. Daardoor was er ook geen sprake van een door de jongen gepleegd misdrijf. De Hoge Raad vernietigde de zaak echter niet, omdat de advocaat van de jongen niet expliciet had geklaagd over de onjuiste veroordeling. Omdat dus de advocaat het punt over het hoofd had gezien, zadelde de Hoge Raad de jongen op met een veroordeling en een strafblad.

Deze wonderlijke ramkoers van de Hoge Raad hangt samen met het geklaag in de rechterlijke macht over werkdruk. Onlangs verscheen daarover een brandbrief van vele rechters. President Corstens van de Hoge Raad sloot zich daar vervolgens bij aan en luidde de noodklok over de werklast van rechters, die tot ‘haastwerk’ leidt, en dus tot missers. Maar de Hoge Raad laat dus liever dit soort missers op formalistische argumenten in stand. De zaak hoeft dan niet door een gerechtshof te worden overgedaan. Dat bespaart tijd en geld. Corstens manifesteert zich als pleitbezorger voor een hogere kwaliteit van rechtspraak, maar laat welbewust na die in eigen huis te bevorderen.

Tot voor kort was dat anders. De Hoge Raad heeft fouten van rechters, zeker als het om duidelijke missers ging, altijd verbeterd. Ook als de cassatieadvocaat ze over het hoofd zag. Ons parlement heeft nooit willen weten van een ‘piepsysteem’ waarin de Hoge Raad slechts klachten van de verdachte onderzoekt en de rest van de zaak laat voor wat die is. Tijdens een recente aanpassing van de cassatieprocedure heeft het parlement aan die gedachte niet getornd. Ons parlement vindt met andere woorden dat zelfstandig ingrijpen door de Hoge Raad het belang van de rechtseenheid en rechtsontwikkeling dient, maar ook dat van de rechtsbescherming van de burger.

Omdat het achterwege laten van vernietiging van duidelijke missers geen basis heeft in de wet, eigent de Hoge Raad zich hiermee een democratisch niet gelegitimeerde werkwijze toe. Dat is buitengewoon zorgelijk te noemen: zoveel macht heeft de samenleving aan de Hoge Raad niet toebedeeld. Het ging in oktober om een ambtelijk bevel. Een gevolg hiervan kan zijn dat een door de advocaat niet opgemerkte fout in een moordzaak leidt tot jarenlange gevangenisstraf voor iets wat de verdachte niet heeft gedaan. Hoe verhoudt zich dat met de vele onterechte veroordelingen die de laatste jaren aan het licht zijn gekomen en die tot herziening hebben geleid? Uit bijvoorbeeld de zaken Lucia de Berk en de Schiedammer Parkmoord blijkt dat onze samenleving – uiteraard! – onterechte veroordelingen volstrekt onwenselijk vindt.

De recente keuze van de Hoge Raad om alle verantwoordelijkheid voor de juistheid van de veroordeling bij de advocaat te leggen, gaat uit van een misplaatst optimisme over het vermogen van de advocatuur. Van een individuele advocaat kan niet worden verwacht dat hij of zij feilloos is. Zoals rechters maken ook advocaten fouten. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat de advocaat per definitie de zwakste schakel is. Maar uit de gepubliceerde rechtspraak blijkt dat zelfs de meest kundige en ervaren cassatieadvocaten in strafzaken weleens juridische punten over het hoofd zien.

Bovendien behandelt de advocaat een zaak vaak in zijn eentje. De Hoge Raad daarentegen bestaat uit drie tot vijf rechters en laat zich adviseren door een advocaat-generaal. De rechters en advocaat-generaal laten zich ook nog eens bijstaan door een wetenschappelijk bureau. Als wij – populair gezegd – ons belastinggeld uitgeven aan zoveel juristen bij de Hoge Raad, waardoor de kans vrijwel nihil is dat in die gelederen een fout niet wordt opgemerkt, willen wij dan dat burgers desondanks de klos worden van een advocaat die de fout toevallig niet zag?

Daar komt bij dat ons systeem van gefinancierde rechtsbijstand niet is ingericht op second opinions. De Raad voor Rechtsbijstand, die tegenwoordig fors bezuinigt, geeft normaal gesproken maar één vergoeding per zaak. Een second opinion wordt dus niet vergoed. Maar verder is de termijn waarbinnen de cassatieadvocaat zijn verdediging moet voorbereiden vaak zo kort, dat het inschakelen van een tweede advocaat ook praktisch vaak onhaalbaar is.

Anders dan bij de rechtbank en het gerechtshof is bijstand door een advocaat bij de Hoge Raad wettelijk verplicht. Diezelfde wet stelt echter geen enkele kwaliteitseis aan deze advocaten. De overheid voorziet niet in het opleiden van advocaten tot specialist en het handhaven van een hoog kwaliteitsniveau. Weliswaar zijn er plannen om hierin verandering te brengen, maar ook dat is niet zaligmakend. Want zoals gezegd: de meest doorgewinterde specialist laat weleens een steek vallen. Een onwenselijke neveneffect van de koers van de Hoge Raad zou wel eens kunnen zijn dat advocaten cassatiezaken gaan weigeren, vanwege de angst dat, als zij iets over het hoofd zien, hun cliënten zich tegen hen gaan richten met grote schadeclaims.

Het meest zorgwekkend blijft echter de onschuldige burger, die door ongelegitimeerde rechtspraak wordt opgescheept met iets wat hij niet heeft gedaan. Kennelijk begrijpt de Hoge Raad niet hoe ingrijpend een strafrechtelijke veroordeling voor iemand is. Een dusdanig gebrek aan medemenselijkheid noopt er dringend toe dat de taakopdracht aan de hoogste rechter ten gunste van de burger wordt verduidelijkt. Daartoe is nu het parlement aan zet.

Willem Jebbink is advocaat in Amsterdam.