Gevangen in het veen

Net over de grens bij Groningen en Drenthe lagen in de Tweede Wereldoorlog vijftien gevangenkampen. De gevangenen ontgonnen zompige veengronden, waar nu boeren bieten en rogge verbouwen. Vele duizenden stierven.

Op zoek naar een verdrongen geschiedenis.

Verborgen onder een veld winterrogge, midden in het Duitse Emsland, ligt een dodenakker. Hier zijn Russische krijgsgevangenen uit de Tweede Wereldoorlog begraven. Gestorven aan ondervoeding of een besmettelijke ziekte in kamp Wesuwe, vijfentwintig kilometer over de grens bij Emmen. Maar sporen zijn niet zichtbaar meer. De messing gedenkplaat is door koperdieven gestolen.

Met paard en boerenwagen moest de vijftienjarige Bé Reuvers de kampdoden ophalen. Zijn vader had hem als boerenknecht de grens over gestuurd, in de hoop op een beter leven. Een half jaar later werd hij „door de naziburgemeester gevorderd voor lijkentransport”. Krijgsgevangenen in lompen tilden de lichamen in zijn laadbak en begroeven de Russen op de akker. „Dáár, onder die telefoonmast.”

Hoeveel lichamen onder de winterrogge liggen, weet niemand. De administratie raakte zoek. „Het moeten er vele duizenden zijn”, schat Bé Reuvers, nu 84 jaar. „Ik en ook anderen hebben hier vanaf 1944 honderden transporten gereden, naar verschillende massagraven. De Duitse bewakers behandelden de Russische krijgsgevangenen als Untermenschen.” Voor het minste of geringste werden de Russen doodgeschoten, beaamt gepensioneerd onderwijzer Pieter Albers, die de kampgeschiedenis beschrijft in zijn boek Gevangen in het Veen. „Of tijdens het werk de veenput in gedouwd.”

Pal over de grens van Groningen en Drenthe, in het Boertanger Moor, lagen vanaf de jaren dertig vijftien gevangenkampen. De nazi’s zetten in deze zompige woestenij 200.000 politieke tegenstanders en krijgsgevangenen aan het werk, 30.000 overleefden dat niet. Elke ochtend om half vijf ’s morgens marcheerden ze de hei op, om turf te steken en het bruinzwarte land te ontginnen. In tien uur tijd moesten ze met alleen een schop elk 15 kuub veen afgraven, en waar nodig wegen aanleggen en ontwateringskanalen graven.

Hun voorman was vaak een turfsteker uit de buurt, hij hoopte op een boerderij in het nieuwe Emsland. Want de nationaal-socialisten begonnen de kampen als een prestigeproject. Dit vergeten land, dit ‘Armenhuis van Duitsland’ waar eenderde van de bevolking geen werk had, moest ‘toekomstland’ worden. Vijftigduizend hectare onherbergzaam veen moest worden omgewerkt tot landbouwgrond met 2.300 boerderijen erop. Zo zouden de gevangenen Duitsland herinrichten en „van hun ideeën bevrijd worden”, schreven Duitse kranten.

De eerste jaren zaten in de Emslandkampen vooral Duitse tegenstanders van het Hitler-regime. Vakbondsleiders, kunstenaars, en intellectuelen, onder wie Nobelprijswinnaar voor de Vrede en journalist Carl von Ossietzky en de acteur en toneelregisseur Wolfgang Langhoff. Na de brand van de Rijksdag op 27 februari 1933 werden ze tewerkgesteld in Börgermoor en Esterwegen, ingericht naar het voorbeeld van Dachau. Ossietzky kreeg in Esterwegen open tbc en stierf aan de gevolgen daarvan. Langhoff werd na 13 maanden vrijgelaten. Zijn onderkoelde ooggetuigenverslag verscheen in 1935 in Zwitserland en ging de wereld over. Het lied ‘Wir sind die Moorsoldaten’ dat hij samen met medegevangene Johan Esser schreef, werd het symbool van verzet en hoop. Auf und nieder gehn die Posten/ keiner, keiner kann hindurch/ Flucht wird nur das Leben kosten/Vierfach ist umzäunt die Burg/ Wir sind die Moorsoldaten/ und ziehen mit dem Spaten/ ins Moor.

Maar toen in 1939 de oorlog uitbrak, raakte het ontginningsproject op de achtergrond, de oorlogsindustrie ging voor. Er kwamen ook Joden en deserteurs naar de Emslandkampen, zigeuners, homoseksuelen, Nacht-und Nebelgevangenen (veelal verzetsstrijders) en veel, heel veel krijgsgevangenen, uit Polen, Frankrijk, Italië en Rusland. Elk kamp had zijn eigen gevangenen, kende zijn eigen regiem. Verzetsstrijders uit België en Frankrijk kwamen in Esterwegen terecht. En terwijl de vijf Russenlager in het teken stonden van mishandeling, ondervoeding en besmettelijke ziekten, kozen de 1.700 gevangen Poolse vrouwen in kamp Oberlanger hun eigen dagprogramma. Of ze gingen als dienstmeisje aan de slag bij een Duits gezin of ze leerden een vreemde taal van hun eigen commandant.

Voor zijn boek doorzocht Pieter Albers archieven, ging hij op zoek naar ooggetuigen en naar de spaarzame sporen in het landschap. Die vind je alleen als je weet wat je zoeken moet. Grafzerken. De bewakersbarak van kamp Versen, nu clubgebouw van de plaatselijke ruitervereniging. Een door gevangenen gegraven vijver, de Schwanensee, bij het naoorlogse dorpje Sustrum Moor. En die stenen transformatorhuisjes waarmee de prikkeldraad omheining onder stroom werd gezet en de houten controleposten ’s avonds fel werden verlicht.

Het is een verdrongen geschiedenis uit de Tweede Wereldoorlog, merkte Albers. In Duitsland en het schuldige Emsland, maar óók aan de Nederlandse kant van de grens. Daar liet de regering-Colijn in de jaren dertig ontsnapte gevangenen oppakken en uitleveren aan Duitsland. Nederlanders kregen te horen dat de gevangenkampen bestemd waren voor misdadigers, berichten dat er politieke gevangenen zaten werden stelselmatig ontkend.

Pas veertig jaar na dato werd onder druk van studenten in het Duitse Papenburg een informatiecentrum over de kampen ingericht dat is verhuisd naar Esterwegen en herinneringscentrum werd. Uit die tijd stammen ook de jaarlijkse herdenkingen op een oorlogsbegraafplaats vlakbij kamp Esterwegen. Rond de 8ste mei herdenken Nederlanders en Duitsers samen de Duitse capitulatie.

De oorlogservaringen hebben er bij Bé Reuvers ingehakt. Pas toen hij ziek werd, twintig jaar geleden, kwamen er flarden herinneringen. Aan Nederlanders die worst en aardappels kwamen halen. Aan de vier Italiaanse krijgsgevangenen uit kamp Versen die hij de grens over hielp via een bekende: „Als daar een wit gordijn hing, moesten we wegwezen. Dan was de grensbewaking in de buurt.” En ook aan de Russische krijgsgevangenen.

Meer nog dan de doden die hij vervoeren moest, staan de levende krijgsgevangenen op zijn netvlies gegrift. Hun uitgemergelde lichamen, de ogen diep verzonken in hun kassen, ze waren speelbal van Duits sadisme. Zodra ze een aardappel van het land raapten, werden ze neergeschoten. Twee minuten kregen ze om hun behoefte in de sloot te doen, daarna klonken er schoten.

Reuvers ging in Siberië op zoek naar de tolk, die hem hielp bij het dodentransport. Maar hij vond Michael Alapaev niet. En achteraf begrijpt hij dat de tolk waarschijnlijk nooit terug, naar Irkoetsk, is gegaan. Want in de ogen van de Russen waren vrijgelaten krijgsgevangenen deserteurs. „Ze hadden verzuimd zich dood te vechten.”

Meer informatie bij Gedankstätte Esterwegen, www.gedenkstaette-esterwegen.de, en in het boek Gevangen in het Veen, door Pieter Albers.