Geef ons toch vakwerk

Bij de bekendmaking van de shortlist van de Librisprijs klaagde de jury over het navelstaarderige karakter van veel Nederlandstalige romans. Toch staat navelstaarderij grote romankunst niet in de weg, zo blijkt uit de shortlist.

Je hoeft geen close reader te zijn om te constateren dat de juryleden van de Libris Literatuurprijs zich hebben geërgerd aan veel van de romans die dit jaar door de uitgeverijen werden ingezonden. Volgens de jury, zo viel bij de bekendmaking van de shortlist in maart te lezen, was een aanzienlijk deel van de 170 ingezonden romans geschreven als een ‘bouwpakket bestaande uit een handvol personages, een groot geheim in het verleden, tegengestelde belangen en loyaliteiten, een verliefdheid hier of juist wroeging en verdriet over een verbroken relatie daar’.

Man en paard worden hierbij niet genoemd, maar de jury kwam wel met een mooi woord voor dit ontdekte genre op de proppen: ‘IKEA-roman’. De duurzaamheid van de IKEA-roman is niet bijster groot, zo ondervond men. ‘Een aanzienlijk aantal boeken begint met veel potentie, maar verliest gaandeweg het verhaal zijn frisheid, om ten slotte nog wat nadruppelend ten onder te gaan.’ Gevolg: ‘Het deed de jury met regelmaat verlangen naar een robuust, ouderwets, ambachtelijk meubelstuk.’

Vakwerk dus, daar lijkt de Librisjury dit jaar in eerste instantie naar op zoek te zijn geweest. Een boek waar je nog eens met je volle gewicht tegenaan kunt leunen zonder dat het instort. Een boek dat je jaren na de eerste lezing nog steeds aan iemand zal aanraden. Om te bepalen wat dan vakwerk is, moest men overeenstemming vinden over de vraag wat een ‘goede’ roman is, zoals het juryrapport, inclusief cursivering, vermeldt.

Een overtuigend antwoord hierop lijkt te zijn gevonden in een boek dat vorig jaar in vertaling verscheen: Over de romankunst, een essaybundel van Milan Kundera. De jury noemt dat werk ‘een krachtige herinnering aan de potentie van het genre roman’. Het is interessant om te zien aan welke specifieke zinnen van Kundera de jury waarde hecht. Want wat behoort de roman te doen? ‘De roman’, zo vat de jury Kundera’s visie samen, ‘onderzoekt niet de werkelijkheid, maar het bestaan.’ Citaat Kundera: ‘En het bestaan is niet wat er gebeurd is, het bestaan is het hele scala van menselijke mogelijkheden, van alles wat de mens kan worden, van alles waartoe hij in staat is. Romanschrijvers tekenen de kaart van het bestaan door deze of gene menselijke mogelijkheid te ontdekken.’

Zoals de kritiek op de IKEA-roman de gebrekkige of al te overzichtelijke compositie betreft, zo wordt hier iets over de potentie van een roman gezegd: er kan zo veel verbeeld worden met het genre, dat de schrijver zichzelf niet te veel beperkingen op moet leggen. ‘In een bescheiden maar toch te groot aantal van de 170 romans die we lazen, tekenen de schrijvers echter niet de kaart van het bestaan, zoals Kundera dat noemt, maar de kaart van hun bestaan.’

Blijkbaar is men zo goed geïnformeerd over het ‘bestaan’ van de schrijvers dat men weet dat het samenvalt met dat van een van diens personages. Maar eigenlijk hoeft de vraag in hoeverre een schrijver overeenkomt met een verteller of een van personages niet beantwoord te worden. Wel kun je zeggen: de wereld die bij monde van de verteller of de personages opgeroepen wordt is klein en niet origineel, het scheelde weinig of ik was opgehouden met lezen en verdergegaan met leven.

Hoe dan ook: de navelstaarderijklacht van de juryleden zal met name de boeken betreffen die de shortlist niet gehaald hebben. Hopelijk. Want geheel tegen de visie van de jury in moet je vaststellen dat juist het zeer intimistische, zo men wil navelstaarderige, Pier en oceaan van Oek de Jong een toonbeeld van grote romankunst is. Aangekondigd als familieroman, is het toch vooral een delvende roman over de roerselen van de stekelige Abel Roorda.

De Jong werkt onder de koepel van de literatuur, maar schrijft niet het soort literatuur dat alleen maar naar literatuur verwijst en dat draait om gevonden manuscripten, spoorloos geraakte schrijvers of andersoortige letterkundige variaties op Cluedo. Hij adapteerde de stijl van Marcel Proust en maakte er een impressie van Nederland mee die geen lezer onberoerd zal laten. Ik wist niet dat een vlak land met natuur ter grootte van een postzegel zo bezield kon worden. Pier en oceaan doet je beseffen dat volwassen worden afstompen inhoudt. De Jong laat met een imponerende accuratesse zien wat een mens is voordat hij in specialismen vervalt, of dat nu het specialisme van het werk, het ouderschap of het geslacht is.

Ook Christiaan Weijts heeft geprobeerd in Euforie het gekartelde en springerige binnenleven van een jongeling over te brengen. Op ieder hoofdstuk over het werkende leven van architect Johannes Vermeer volgt een hoofdstuk over diens leven als gymnasiast rond 1990. Het meisje, de verwarring, de dromen, ze zijn er net als bij Abel Roorda allemaal. Maar ze zijn niet zo betoverend op papier terechtgekomen als bij Pier en oceaan. De jonge Vermeer staat een stuk minder zintuiglijk in de wereld dan Roorda. Wanneer we samenvatten waar Weijts ‘zijn’ adolescent door laat leiden dan zijn het ideeën over cultuur met name en lust. Dit laatste levert Vermeer in de vorm van de bevallige Isa weliswaar verwarring op, maar verder heeft hij ze toch wel erg op een rijtje.

Dat cerebrale dient een doel, want Euforie is op de eerste plaats een ideeënroman. De wording van Vermeer is de wording van iemand die theoretiseert. Iemand die klassieke, doordachte opvattingen had over de architectuur, maar ze gaandeweg verruilt voor een zielloos ontwerpen in de hoogconjunctuur van de jaren negentig. Vermeer is een te mager romanpersonage, omdat hij voornamelijk vanuit zijn beroep wordt geportretteerd. De homo universalis die bij Weijts zo veelvuldig ter sprake komt is op de eerste plaats iemand met vaardigheden. Vermeer is eerder een kruiwagen waarin cultuurkritiek naar de lezer wordt verplaatst dan iemand die zijn tijd ook werkelijk ondergaat.

De zwakste broeder van de zes genomineerde boeken, het is niet anders, is Dinsdag van Elvis Peeters. De naamloze ‘oude man’ mag zich dan een reeks choquerende handelingen herinneren, meer dán een reeks handelingen is het ook niet. Dinsdag is wegens de gruwel meeslepend, maar niet erg ambitieus, omdat Peeters de beschreven man niet voor dilemma’s plaatst. De man heeft zich misdragen, heeft geen spijt ... en daar blijft het bij. De gedachte die aan Dinsdag ten grondslag lijkt te liggen, namelijk dat ouderdom een soort safe haven is, had voller uitgewerkt kunnen worden.

De schrijver die het meest verrast is Tommy Wieringa. Je koppelt alleen al op basis van Joe Speedboot – dit boek zal hem blijven achtervolgen – woorden als branie en vitaliteit aan zijn schrijversschap, maar Dit zijn de namen draait om thema’s die daar ver van verwijderd zijn. Barmhartigheid. Opoffering. Wat dit boek zo bewonderenswaardig maakt is dat een dikke man aan een kantoortafel en een groep door de steppe dolende vluchtelingen elkaar vinden in een zucht naar religiositeit. ‘Van internationale allure’, schreef een recensent van de Volkskrant over dit boek. En dat klopt, alleen al omdat je tijdens het lezen de boeken van buitenlandse grootheden als Cormac McCarthy (No country for old men) en J.M. Coetzee (Wachten op de barbaren) te binnen schieten. Dit zijn de namen is een imposant bouwwerk. Het enige manco ervan is dat dit bouwwerk niet altijd zijn deuren opent, waardoor je als lezer wat vaak tegen de buitenkant aan staat te kijken. Soms krijg je de indruk dat Dit zijn de namen gedicteerd wordt, in plaats van dat je het leest.

En dan zijn er nog twee schrijvers die hun personages gebruiken als voodoopoppetjes van de lezer. Grunberg schreef het laatst al ergens: de schrijver wil de lezer pijn doen. Volgens dat beginsel werkt zowel Esther Gerritsen als Arnon Grunberg. Ze prikken met naaldjes in hun personages zodat de lezer iets voelt. Gerritsen ondermijnt in Dorst met meesterhand het gebod dat een ouder en een kind per definitie van elkaar houden. In de roman trekt een dochter bij haar stervende moeder in, waarna langzaam duidelijk wordt dat de dochter misschien wel meer gebaat is bij zorg van de moeder dan andersom.

Gerritsen is net als Grunberg een meester in het schrijven van bijterige zinnen die onmiddellijke contemplatie afdwingen. En in beide boeken is er aandacht voor de onontkoombaarheid van andermans viezigheid en onhebbelijkheden. In Dorst over een neurotische jonge moeder: ‘Moeder-zijn was toezien hoe het kind de spullen in het huis stuk voor stuk aantastte en dat toelaten.’ Bij Grunberg: ‘Beschaving begint met het controleren van het eigen lichaam.’

Niemand van de genomineerde schrijvers krijgt zoveel voor elkaar met enkel de dialoog als Esther Gerritsen. Het lezen van Dorst is als het binnenstappen van een volle lift waarin net een meningsverschil wordt uitgevochten. De tikken die Grunberg in De man zonder ziekte uitdeelt, lijken te zijn aangekondigd, waardoor ze minder hard aankomen. Zo schieten je Grunbergs reportages als kamermeisje, couchsurfer of treincateraar te binnen bij de aandacht voor het vraagstuk ‘hygiëne’ in deze roman. De wording van een Grunberg-roman is via Grunbergs nevenactiviteiten als essayist, columnist of verslaggever te volgen. Dat de naam van Kafka de laatste tijd met enige regelmaat in Grunbergs stukken opduikt, sluit dan ook aan op het kafkaëske karakter van De man zonder ziekte. Ook lijkt de stem van iemand als Martin van Creveld in de roman op te duiken, de militair historicus die Grunberg wel vaker ‘tipt’. Het moment waarop de o zo gecontroleerde Sam in de roman opeens uitbarst in het luidkeels meezingen met een liedje van David Bowie zorgt bij de lezer voor een grote verrassing. De doelmatigheid die De man zonder ziekte af en toe kenmerkt is dan plotseling verdwenen.

Met uitzondering van Dinsdag draait het in de genomineerde boeken om de vraag: bij wie of wat hoor ik? Oplossingen worden gezocht in de hoek van de kunst (Pier en oceaan), confessie (Dit zijn de namen), klassieke waarden (Euforie), familie (Dorst) of werk (De man zonder ziekte). Grunbergs architect denkt dat hij een plek op het wereldpodium moet innemen, maar verliest door die stap alle controle. Het is zijn ambitie die ervoor zorgt dat hij in een mist van informatie verdwijnt.

Op basis van de voorwaarden van de jury valt te verwachten dat Wieringa komende maandag de prijs in ontvangst mag nemen. Gerritsen is een outsider voor de onderscheiding, alhoewel de reikwijdte van haar roman beperkter is.

En toch is in Pier en oceaan het krachtigste proza van de genomineerde boeken te vinden. De roman is compositorisch niet volmaakt, maar De Jong breekt er iets in open, maakt er een kracht in vrij. Voor Abel, en in één beweging door voor de lezer. Klassieke literatuur, die niet aan de toevallige omstandigheden van de tijd refereert, maar aan iets dat er altijd zal zijn.