Een Rus op volle kracht

Om niet in een handgemeen verzeild te raken met dronken medelanders die in mijn brievenbus plasten, was ik op de dag van ’s konings inhuldiging Amsterdam ontvlucht. Maar zelfs in mijn plattelandshotel haalde de literatuur me in toen ik op mijn smartphone een persbericht ontving van het bestuur van de Aleida Schot Prijs. Daarin werd medegedeeld dat Kees Jiskoot dit jaar geloofd en geprezen zou worden voor zijn vertalingen van de ‘zowel bekende als minder bekende Russische dichters, en met name voor zijn vertaling van de Gedichten van Sergej Jesenin’.

Die Jesenin (1895-1925) is natuurlijk een bekende jongen, niet alleen door zijn mooie gedichten, maar ook door zijn spectaculaire zelfmoord – met een gordijnkoord in hotel Angleterre in Leningrad, nadat hij op de valreep nog een gedicht in bloed had geschreven. Maar wie was in godsnaam Kees Jiskoot?

Nadere lezing van het persbericht verschafte duidelijkheid. Jiskoot (1933) bleek een gepensioneerde huis- en verzekeringsarts uit Zeeland te zijn, die zich via een cursus het Russisch had eigengemaakt en in 1987 zijn eerste Russische gedicht vertaalde. Het klonk naar een light versie van Charles B. Timmer, in het interbellum houthandelaar in Letland, selfmade slavist en na 1945 vertaler van de halve Russische Bibliotheek van Van Oorschot.

Nieuwsgierig naar Jiskoots Jesenin-vertaling haastte ik me die avond per trein naar huis. De dronken monarchieaanhangers waren zich na het zingen van het Koningslied – dat nieuwe hoogtepunt van vaderlandse poëzie – aan het terugtrekken. Mijn brievenbus was droog gebleven.

Tussen de vele ongelezen nieuwe boeken op mijn bureau lag Jesenin in een tweetalige uitgave. Sneller kon een oordeel niet worden geveld. Ik bladerde meteen naar het bloedgedicht: Vriend, tot ziens, tot ziens in betere tijden./ Lieve vriend van mij, je staat me na./ Ons belooft het voorbestemde scheiden/ Een elkaar ontmoeten weer hierna.// Vriend, tot weerziens, woordloos, en geen hand gegeven/ Treur niet, frons niet ’t voorhoofd van verdriet –/ Nieuw is ’t niet, te sterven in dit leven,/ Maar iets nieuws is ook te leven niet.

Onsterfelijke regels, die Jiskoot knap had vertaald, zonder letterlijk te zijn. Precies dat laatste is de essentie van zijn slecht betaalde ambacht, dat steeds meer als hobby wordt uitgeoefend, door artsen, loodsen en ingenieurs, omdat je er zonder hoofdbaan niet van kunt leven.