‘Duitsers associëren WO II met Rusland’

Hoe leefden Amsterdammers onder de Duitse bezetting? De Duitse schrijfster en journaliste Barbara Beuys belicht in haar boek alle facetten. ‘Men ging in 1942 vaker naar de film dan ooit tevoren.’

Historica en schrijfster Barbara Beuys: ‘Duitsers weten weinig over de bezetting van Nederland’ Foto Roger Cremers

Ja, ze is familie van de beroemde Luftwaffe-piloot en Duitse kunstenaar Joseph Beuys (1921-1986), beaamt de Duitse historica en schrijfster Barbara Beuys (1943). „De broer van mijn grootvader was de grootvader van Joseph Beuys”, zo legt ze uit in de bibliotheek van haar Nederlandse uitgeefster Eva Cossee in Amsterdam.

Onlangs verscheen de vertaling van Leben mit dem Feind. Amsterdam unter deutscher Besatzung, over het leven in Amsterdam in de Tweede Wereldoorlog. „Vreemd genoeg was zo’n boek er nog niet”, zegt Beuys. „Er zijn tientallen boeken over Amsterdam in de oorlogsjaren. Maar die gaan allemaal over een bepaald aspect van de Duitse bezetting, over het theater bijvoorbeeld of de jodenvervolging. Ik heb geprobeerd een beeld te schetsen van het complete leven in Amsterdam onder de Duitse bezetting. Negentig procent van de Amsterdamse bevolking was tenslotte niet-Joods.”

Hiervoor neemt de Keulse Beuys, die eerder onder meer een boek over het Duitse verzet tegen het nazi-regime en de biografie van de Duitse verzetstrijdster Sophie Scholl schreef, een lange aanloop. Leven met de vijand begint in 1875 als Amsterdam begint uit te groeien tot een Grossstadt, met een levendig muziek- en theaterleven waaraan Beuys veel aandacht schenkt.

Toch wijdt ze in Leven met de vijand ook veel pagina’s aan het Joodse Amsterdam. Zo krijgt de Amsterdamse Joodse SDAP-politicus Monne de Miranda, onder wiens wethouderschap Amsterdam het mekka van de volkshuisvesting werd, een mini-biografie. De Miranda kwam uit een familie van Portugese Joden, die in het begin van de 17de eeuw in groten getale naar Amsterdam vluchtten voor de jodenvervolgingen op het Iberisch schiereiland. Later in de Gouden Eeuw kwamen daar Oost-Europese Joden bij. In het relatief tolerante Amsterdam hoefden ze niet in een getto te wonen en mochten ze omstreeks 1670 hun eigen, grote synagoges bouwen.

U bent een oorlogskind. Wat deed uw vader in de oorlog?

„Mijn vader werkte bij het Reichssicherheitshauptamt, het hoofdkantoor van Himmlers politie in Berlijn. Tijdens de oorlog is hij eerst naar het oosten gegaan, om onderzoek te doen naar corruptie onder de Duitse bezetters. Later is hij ook in Parijs geweest. Na de oorlog is er nog een gerechtelijk onderzoek gedaan naar zijn betrokkenheid bij het vermoorden van Joden in Oost-Europa. Maar die werd niet vastgesteld. Na 1945 bleef hij bij de politie en werd ten slotte directeur van de politie in Düsseldorf.

„Mijn vader overleed in 1976 en heeft me nooit iets verteld over de oorlog. Dat hoort bij zijn generatie. Die heeft de oorlog totaal verdrongen. Misschien ben ik er daarom wel zo in geïnteresseerd.”

Waarom schreef u een boek over Amsterdam onder de Duitse bezetting en niet over Den Haag of Antwerpen?

„Ik heb mijn boek voor een Duits publiek geschreven. Voor Duitsers is de Tweede Wereldoorlog toch nog steeds de oorlog in Oost-Europa, tegen de Sovjet-Unie. Van de bezetting van landen als Nederland weten ze heel weinig. Ze denken dat er nauwelijks gevochten is en dat het een land is waar Duitse soldaten die aan het Oostfront gewond waren geraakt, op adem konden komen.

„In de oorlog was Amsterdam de belangrijkste stad van Nederland, met een omvangrijke Joodse bevolking. Bovendien moesten Joden uit andere Nederlandse steden naar Amsterdam verhuizen. Meer dan in andere steden kun je in Amsterdam zien hoe de naziterreur in de West-Europese bezette gebieden in zijn werk ging.”

In Leven met de vijand beschrijft u de naziterreur in Nederland als een salamitactiek die begon met de ariërverklaring en eindigde in massamoord. Was dit improvisatie of planning?

„De salamitactiek was volkomen gepland, met een rationaliteit die je misschien niet had verwacht van de nazi’s. Hitler heeft zelf de politiek van de zachte hand met de rijkscommissaris voor de bezette Nederlandse gebieden, Arthur Seyss-Inquart, besproken. Die politiek had twee pijlers. De Nederlanders moesten het materieel beter krijgen, als gevolg van grote opdrachten van bijvoorbeeld de Wehrmacht voor de Nederlandse industrie. En de Duitse bezetter moest op zijn beurt de Nederlanders niet tegen zich in het harnas jagen met brute maatregelen.”

En dat werkte, zo blijkt uit uw boek.

„Ja, voor de meeste Nederlanders ging het leven in de eerste oorlogsjaren gewoon verder. Ze bleven bijvoorbeeld uitgaan en gingen, na een dip in 1941, zelfs vaker naar de bioscoop dan ooit tevoren.

„Het verzet kwam in Amsterdam pas echt van de grond toen Nederlandse mannen in 1943 naar Duitsland moesten om te werken. Dat trof heel veel Nederlandse gezinnen. Bij de eerdere maatregelen die tegen de Joden werden genomen, kon je nog wegkijken. Die betroffen de niet-Joden nauwelijks en leidden bij de meeste Amsterdammers vooral tot medelijden of een machteloze woede, en nauwelijks tot verzet.”

Een van de dingen die me in uw boek frappeerde, was dat zelfs een marxistisch historicus als professor Jan Romein niet wist wat hij aan moest met de ariërverklaring en die hij in oktober 1940 toch maar ondertekende. Waren de Amsterdammers naïef?

„De Nederlandse elite, en zeker iemand als Jan Romein, wist beslist waar Hitler en nazi’s voor stonden en wat ze wilden. Maar mede doordat de Duitse bezetter in het eerste jaar de politiek van de zachte hand bedreef en zich redelijk beleefd en beschaafd droeg, dachten veel Amsterdammers vermoedelijk dat het allemaal niet zo’n vaart zou lopen. Zeker niet als ze zelf geen aanleiding zouden geven.

,,Zo’n houding zag je vóór de oorlog ook bij de Nederlandse regering: als we nu maar neutraal blijven, dan doet Duitsland ons, net als in de Eerste Wereldoorlog, niets. Misschien dachten ze ook: de nazi’s vervolgen wel hun eigen Joden, maar niet de onze die hier al eeuwen zijn geïntegreerd en zonder problemen wonen.”

U schrijft ook dat al op 29 juli 1942 Radio Oranje melding had gemaakt van de gaskamers. Maar hieraan werd nauwelijks geloof gehecht. Kon of wilde men het niet geloven dat de Joden werd vergast?

„Beide, denk ik. De Joodse Raad in Amsterdam was niet de enige die de berichten over vergassing afdeed als anti-Duitse propaganda. De meeste Amerikanen konden zich toen ook niet voorstellen dat zoiets gebeurde. Vergeet ook niet dat een mens heel veel kan verdringen als hem dat zo uitkomt.”

U oordeelt niet in Leven met de vijand. Maar u stelt wel herhaalde malen vast dat er tot 1943 heel weinig verzet was tegen de opeenvolgende maatregelen van de Duitsers tegen de Joden. Hadden de Nederlanders hiertegen meer kunnen doen dan ze deden?

„Het grootste raadsel van de Duitse bezetting in Nederland is dat er relatief veel Joden zijn weggevoerd en vermoord. Historici zijn er nog steeds niet over uit hoe dat komt. Ik weet het ook niet, en dat is een van de redenen waarom ik over het verzet en de Joodse Raad geen oordeel uitspreek. Ik beschrijf slechts wat is gebeurd en laat het aan de lezer over om te oordelen.

„Maar ik denk wel dat er minder Joden zouden zijn weggevoerd als er eerder een kleinschalig netwerk voor onderduiken was opgezet, zoals gebeurde toen Nederlanders werden verplicht om in Duitsland te werken. Voor onderduiken heb je een netwerk nodig en geld en dingen als vervalste voedselbonnen. Dat hadden de meeste Joden niet.

,,Hoe zo’n netwerk werkte, kun je bijvoorbeeld zien aan het grote aantal Joodse kinderen dat is gered uit de crèche tegenover de Hollandse Schouwburg in Amsterdam, het theater waar alle weg te voeren Joden zich moesten verzamelen. Bij de redding van Joodse kinderen die bij gezinnen in heel Nederland werden ondergebracht, speelden kleine groepen studenten een heel belangrijke rol.”

Barbara Beuys: Leven met de vijand. Amsterdam onder Duitse bezetting. Cossee, 351 blz. € 24,90