Dit is het land waar je alle hoop laat varen

Paul Theroux keerde terug naar Afrika, het continent waar hij ‘tot leven was gekomen’. De desillusie is zo groot dat hij stopt met het reisboeken schrijven.

Indigenous Bushman/San hunters (43 years old, 64 years old) armed with traditional bow and arrow, Namibia (Image taken to raise awareness and funds for the Getty Images

De reisschrijver Paul Theroux is niet meer. Zo deelt hij mee in The Last Train to Zona Verde, dat volgende week verschijnt. Aangekomen op het continent waar hij naar eigen zeggen vijftig jaar geleden begon te leven, begint hij deze keer aan een trip vanuit Kaapstad langs de westkust naar het noorden. Tien jaar daarvoor was hij al van Kairo naar Kaapstad gereisd. Plannen zijn er genoeg, al zijn ze niet concreet, verlangens en illusies eveneens. Maar wat een weerzien met ideeën over Afrika moet worden, een hernieuwde kennismaking, loopt uit op vervreemding, en uiteindelijk op desillusie.

Paul Theroux (1941) is niet de eerste voor wie een reis op dit continent het eindpunt is. Sommigen vonden er letterlijk de dood in hun zoektocht naar het hart van Afrika, van wie ontdekkingsreiziger Livingstone natuurlijk de bekendste is. Anderen schreven er hun laatste reisboek, zoals Evelyn Waugh met A Tourist in Africa (1960) of recenter V.S. Naipaul. Diens zoektocht in Masque of Africa (Boeken 11.02.2011) naar de betekenis van traditionele religies loopt ook uit op een fiasco: Naipaul beseft dat hij na zijn reis nog minder van het hele continent begrijpt.

Dat geldt ook voor Theroux. In Kaapstad onttrekt hij zich niet aan de poverty porn wanneer hij een toeristisch uitstapje naar de sloppenwijken kan maken. Vergeleken met zijn bezoek aan Kaapstad tien jaar eerder is het land er alleen maar slechter aan toe: armoede, misdaad en polarisatie zijn toegenomen. Veel plekken kan hij per trein niet eens bereiken wegens de onveiligheid en dat is een hard gelag voor een auteur die zijn beroemdste reisboek The Great Railway Bazaar (1975) begon met de regels: ‘Sinds mijn jeugd, toen ik binnen gehoorbereik van de Boston-en-Mainetrein woonde, kan ik geen trein horen zonder te wensen dat ik erin zat.’

Deze keer heeft hij in Kaapstad geen intellectuele ontmoetingen zoals in Dark Star Safari – waaronder oeverloze gesprekken met Nadine Gordimer –, maar gesprekken met mensen in de sloppenwijken, chauffeurs en medepassagiers. Niemand heeft hem iets positiefs te melden, hij krijgt alleen negatieve adviezen over het reizen per trein naar sloppenwijken en wandelen op zaterdag, dronkemansdag in Namibië.

Wat de steeds maar uitdijende steden niet bieden – Theroux heeft altijd al een hekel aan de stad gehad – zoekt hij in de dorpen en in de natuur. Zo verheugt hij zich erop om een droom waar te maken: praten met Ju’hoansi (Bosjesmannen) in zuidelijk Afrika. Hij stelt ze zich voor als de inwoners van een soort paradijs, de ‘echte mensen’. Wanneer de wereld vergaat zullen zij er nog zijn, romantiseert Theroux. Want dit is een volk dat werd opgejaagd sinds de westerlingen voet aan wal hebben gezet, maar dat toch wist te overleven dankzij eeuwenoude jagerstechnieken, en een diep gevoel met en voor hun leefomgeving.

En inderdaad: het is indrukwekkend wat ze Theroux laten zien. Bosjesmannen stellen bijvoorbeeld aan de hand van gebroken takjes vast waar de dieren leven, ze weten welke veren van welke vogels zijn en ze wijzen hem de eetbare en giftige planten aan. In de 19de eeuw werden ze nog zelf opgejaagd als wild door Boeren die in die jacht een nationale sport zagen. Maar nu zijn deze Bosjesmannen het bewijs van het gezegde dat wie het laatst lacht, dat ook het best doet.

Dat blijkt inderdaad waar te zijn, zij het op een andere manier dan Theroux zich had voorgesteld. Wanneer de tour is afgelopen, kleden de Bosjesmannen zich om. Ze trekken versleten westerse kleren aan en gaan verder met waar ze mee bezig waren voordat de toeristen kwamen. Het olifantenvlees dat er te drogen hangt, is geschoten door een stroper, en op andere dagen wordt er voedsel gebracht omdat de regering liever niet heeft dat er in bepaalde gebieden gejaagd wordt – omwille van de safari’s.

Sinds de jaren zeventig is er geen sprake meer van een natuurlijke leefomgeving, maar zijn gebieden ingedeeld in reservaten, ‘levende musea’, waar de meeste mannen doodgaan aan alcoholvergiftiging of lijden aan welvaartsziektes als diabetes, hoge bloeddruk of hart- en vaatziekten. De plaatselijke overheden zijn niet in de Bosjesmannen geïnteresseerd. Dat er nog iets van het verleden in stand wordt gehouden, is te danken aan westerse ngo’s.

Het is een bittere conclusie die Theroux ook elders tijdens zijn reis trekt: waren de westerlingen, met hun vaak romantische ideeën van ‘primitieve’ volken er niet geweest, dan was veel cultuur (taal, verhalen) nooit vastgelegd en verloren gegaan. Er is geen Afrikaanse regering die ook maar enige interesse heeft voor de oude waarden, normen en tradities.

En dit is maar een van de vele desillusies: de safari mondt uit in tochtjes op een tamme olifant, waarvan je na afloop de slurf mag aaien. Creditcarddiefstal en fysieke bedreiging worden al door jonge kinderen beoefend. En dat maakt Theroux allemaal al mee voordat hij de ‘hel’ van Angola ingaat, waar de mensen vijandig en achterdochtig zijn, een politieagent hem vol in zijn gezicht slaat, en waar Chinezen aan de grens met winkels vol plastic troep het beeld van het land zijn gaan bepalen. Dit is een land waar het advies ‘hou je geld goed verstopt’ ontoereikend is. Hier geldt ook: ‘maak geen oogcontact’. Angola ‘is hoe de wereld eruit ziet wanneer die vergaat’, concludeert hij wanneer hij aan het einde van zijn reis is.

Wat doe ik hier eigenlijk, vraag Theroux zich uiteindelijk af. Dat is een vraag die iedereen zich wel eens stelt, maar het antwoord hoeft niet altijd bitter te zijn. Wél bij Theroux. De maat is vol. Afrika is gedoemd, zit gevangen in corrupte en/of apathische regeringleiders (‘ze hebben het moreel besef van een fruitvlieg’), het laat zich overrompelen door Chinezen. Hij snapt niet waarom economen de rol van China in Afrika als positief ervaren en menen dat Chinezen voorspoed brengen. Theroux ziet dat anders: ‘Net zoals ze Tibet binnenvielen en overnamen, wandelen ze nu een ander continent binnen en nemen het over, door er meer geld tegenaan te gooien dan wie dan ook, en zo de Afrikanen aan zich te onderwerpen, met leegplunderen als missie.’

Dieren zijn er nauwelijks meer in het wild – in Angola zelfs nergens – en Afrikaanse landen zijn wat het behoud van erfgoed betreft afhankelijk van de westerse wereld, terwijl ze ook het slachtoffer van de westerlingen zijn, die vroeger het land kapot hebben gemaakt en nu iedereen smoren in hun goede bedoelingen. Niet alle observaties zijn even origineel, maar omdat Theroux ze illustreert aan de hand van verhalen, lees je het allemaal graag nog een keer. Anders dan in Dark Star Safari heeft de parmantige Theroux hier plaats gemaakt voor een verslagen man.

Het is ook wat Theroux’ personage Ellis Hock al onderging toen hij na vijftig jaar terugkeerde in Malawi: het land waar hij ooit belangrijk en geliefd was geweest is niet meer hetzelfde. Het verleden keerde zich in de weergaloze roman The Lower River (Boeken, 17.08.2012) tegen hem, met als resultaat dat het ontvluchten van Malawi alles was wat hem nog restte. Net als in die roman komt het continent tegenover de hoofdpersoon te staan: hier is Angola het land waar je alle hoop laat varen.

Het is de strenge consequentie van een visie die Theroux al tien jaar geleden in Dark Star Safari beschreef: hulp leidt tot desinteresse. En dat is, zo voegt hij er nu aan toe, destructief voor een continent dat over 40 jaar uit 2 miljard mensen bestaat, waar geen of te weinig industrieën zijn, met steden waar geen energie en watervoorziening is en waar de krottenwijken zich alleen maar uitbreiden.

Toch ben ik geen Afropessimist, stelt Theroux aan het slot. Maar je vraagt je af waarop hij dat baseert. Hij is wel degelijk pessimistisch, en hoewel je tijdens het lezen meerdere malen het hoofd schudt over de nostalgie als maatstaf der dingen, maakt dat zijn verhaal niet minder boeiend. In feite vertelt hij de geschiedenis van het zuidwesten van Afrika, inclusief de slechte afloop.

Afrika is een eenheidsworst geworden, die aan verstedelijking ten onder gaat. Het eigene van het continent is alleen nog te vinden in dier- en mensreservaten. Het hele continent gaat eraan.

Het is een bizarre en stellige visie van een mopperende, oude man die zijn geluk van weleer niet heeft kunnen terugvinden. Bitterheid dus, maar wel aangrijpende bitterheid. Hier is een groot reisschrijver aan het woord die droevig afscheid neemt van zijn métier.