Bourtange

Nu 4 mei nadert moet ik denken aan de indrukwekkende column, getiteld Bourtange, die Ischa Meijer in 1993 schreef, twee jaar voor zijn dood. Ik kwam het stukje onlangs tegen toen ik zijn bundel Een jongetje dat alles goed zou maken herlas. Over Meijer bestaat het hardnekkige oordeel dat hij een briljant interviewer, maar niet zo’n sterke columnist was. Het tweede deel van dat oordeel zou ik graag willen bestrijden: hij kon wel degelijk ook een briljante columnist zijn.

In zijn vermomming als De Dikke Man, dagelijks gepubliceerd in Het Parool, beschreef hij zowel hilarische als aangrijpende ontmoetingen en gebeurtenissen. De stukken rond de dood van zijn ouders, met wie hij geen contact meer had, behoren tot de hoogtepunten. Het is literatuur die veel andere literatuur doet vergeten.

In de column Bourtange neemt een ‘aardige vriend’, Groninger van geboorte, De Dikke Man mee naar Groningen, „het decor van je vaders jeugd”. Ze belanden in Winschoten waar Jaap Meijer, Ischa’s vader, tachtig jaar eerder was geboren. Bij De Dikke Man komen schrijnende herinneringen boven.

„Toen mijn ouders en ik van Westerbork naar Bergen-Belsen gedeporteerd werden”, vervolgde hij, „reed de trein vlak langs de dorpen en steden waar mijn vader opgegroeid was. En mijn vader riep almaar zijn gestorven verwekker aan, en vroeg hem: ‘Waar gaan wij nu naartoe?’ Daar heeft hij nog een gedicht over geschreven.’”

Vervolgens brengt de vriend De Dikke Man naar de vesting Bourtange. Ik citeer het slot van de column.

„Daar betraden ze de kleine synagoge, waar juist een blonde dame uitleg verschafte aan enige toeristen. Het werd De Dikke Man zwart voor de ogen. Hij verliet ogenblikkelijk het aanbiddelijke sjoeltje. En hij zag de gedenksteen die erop aangebracht was: ‘Ter herinnering aan de 46 gedeporteerden van de joodse gemeente Bourtange-Vlagtwedde in de jaren ’40-’45.’ ‘Mijn God’, dacht hij. ‘Mijn God – hoe klein moet deze gemeenschap niet zijn geweest. En hoeveel joden hebben ze laten gaan.’ En hij las het weer, bijkans ongelovig: ‘Ter herinnering aan de 46 gedeporteerden van de joodse gemeente Bourtange-Vlagtwedde in de jaren ’40-’45.’ Er reed een lege trein door zijn hoofd, met enkel die vader erin. ‘Het lijkt wel alsof ze er nóg trots op zijn’, mompelde hij, achteloos wijzend naar de gedenksteen.”

Effectiever kunnen woede en verdriet niet beschreven worden.

Ischa Meijer was een jaar en een dag oud toen hij op 15 februari 1944 samen met zijn ouders Jaap en Liesje op transport van Westerbork naar Bergen-Belsen werd gezet. Het gedicht van zijn vader waarnaar De Dikke Man verwijst, trof ik aan in het boek Jaap en Ischa Meijer – een joodse geschiedenis 1912-1956 van Evelien Gans. Het heet er langs/15-2-1944. Hij schreef het in het Gronings, dit is de vertaling.

jij laatste trein/die mij langs/ winschoten/ naar schans/ rijdt/ lag onder/ deze zelfde lucht/ mijn jongenstijd/ dag dode vader/ je ligt/ heel dichtbij/ waarheen/ gaan wij.

Naar concentratiekamp Bergen-Belsen dus, waar het gezin Meijer veertien maanden zou verblijven.

„Onherroepelijk”, schrijft Evelien Gans, „heeft Ischa vanaf zijn geboorte en zeker ook in Bergen-Belsen gevoelens van angst en onveiligheid mét zijn melk- en koolraapsoep naar binnen gezogen.”

Toen zijn eigen vader stierf, liet Ischa De Dikke Man dichten: O, vader/ in godsnaam/ tot U/ nader.