Blues voor de werkende vrouw

In de muziek van Valerie June mengen country, soul en gospel zich. En dat kapsel? „Dit haar is zo gegroeid uit pure gemakzucht.”

Valerie June: ‘Kwam ik erachter dat ik het net zo goed lang kon laten groeien.’

Zangles heeft ze nooit nodig gehad, al probeerde een zangleraar haar ooit de beginselen van opera bij te brengen. Valerie June leerde zingen in de kerk. In haar dorpje Humbault, Tennessee bestond de congregatie soms uit wel vijfhonderd man. „Als je naast iemand zat die hard en vals zong, moest je ontzettend je best doen om daar bovenuit te komen.”

Muziekinstrumenten waren verboden in de Church of Christ, want zo stond dat in de Bijbel. „Daarin staat geschreven dat mensen hun stem moeten verheffen tot God. Niet een klein clubje muzikanten en uitverkorenen, maar iedereen. Harde stemmen, zachte stemmen, valse en zuivere zangers. Nergens staat dat je daar een orgel of een gitaar bij moet gebruiken. Dus zongen we a capella, vijfhonderd man sterk. Een betere leerschool is er niet.”

Tegenwoordig begeleidt ze zichzelf op gitaar, banjo en ukelele. Zingen was haar tweede natuur en in Tennessee kwamen country, gospel, blues en soul haar vanzelf aanwaaien. Haar muziek heeft de twang van Dolly Parton, de bezieling van Nina Simone en de rauwe poëzie van Memphis Minnie.

Hoewel Valerie June van jongsaf het liefst muziek wilde maken hield ze er banen op na al huishoudster, babysitter en personal shopper voor rijke families. Ze maakte drie cd’s in eigen beheer voordat Dan Auerbach van The Black Keys haar uitnodigde om in zijn studio te komen opnemen. Uit die sessies groeide het album Pushin’ Against A Stone, geproduceerd door Auerbach en Kevin Agunas van Edward Sharpe & the Magnetic Zeros.

Valerie June hoedt zich ervoor om als een vrouwelijke variant van The Black Keys te gaan klinken. In de ruige bluessong You can’t be told is de overeenkomst evident, maar op de rest van haar album streefde ze naar variatie en een eigen geluid. „Tot voor kort nam ik mijn muziek op alsof het field recordings waren. Ik speelde mijn nummers, iemand hield er een microfoon bij en dat was het. Puur en simpel. Nummers als Shotgun en Somebody to love zijn nog precies zo opgenomen, zonder franje. Het heeft geen zin om mijn muziek glad te strijken. Ik zou er toch alleen maar rauwer door gaan zingen.”

Een droom ging in vervulling toen ze kon werken met Booker T. Jones, de organist van Booker T & the MG’s en de man die veel platen van het Stax-label hun specifieke soulsound gaf. „De samenwerking was een idee van onze gezamenlijke muziekuitgever. Het leek ze wel aardig om jong en oud bij elkaar te brengen. Pas nadat we het nummer On my way hadden geschreven, opperde Booker dat hij best orgel zou willen spelen op mijn album. De hemel ging open voor mij, want een betere organist is op de hele wereld niet te vinden.”

Workin’ woman blues, haar ode aan de werkende vrouw, is in feite een klaagzang. „Ik hield er twee of drie banen op na om mijn hoofd boven water te houden. Het is een wonder dat ik nog energie overhield om muziek te maken. Er wordt veel te makkelijk gedaan over de klassieke taken die vrouwen geacht worden op zich te nemen, zoals de opvoeding van kinderen. Vraag maar aan je eigen moeder wat die zich allemaal heeft moeten ontzeggen om jou op een nette manier het huis uit te werken.”

Haar bijzondere kapsel is geen modieus statement en heeft zeker geen religieuze bijbedoelingen. „Elke ochtend was ik een uur bezig om mijn kroeshaar in model te krijgen. Op zeker moment kwam ik erachter dat ik het net zo goed lang kon laten groeien. Ik ben geen rasta; dit haar is zo gegroeid uit pure gemakzucht. Het voelt goed en de mensen herkennen mij eraan. Nu hoef ik me nooit meer zorgen te maken om mijn image en kan ik alle aandacht richten op mijn muziek.”

Pushin’ Against A Stone verschijnt vandaag bij PIAS.