Bloemen op het vuilnis

Bevrijding concentratiekamp Amersfoort. Op geen plaats werd de bevrijding met meer vreugde begroet dan in het concentratiekamp. Foto: Op het moment dat een Canadese tank het kamp is binnengereden, geloven de gevangen dat ook voor hun een einde aan het lijden is gekomen, Amersfoort, Nederland 1945.;

Ineens ben je nummer 46, een mens zonder naam, en woon je op een vuilnishoop. Precies dat overkomt Edmund Wellenstein, een 22-jarige student aan de Technische Hogeschool Delft. Als lid van het studentenverzet belandt hij in maart 1942 in het beruchte, door SS’ers geleide kamp Amersfoort.

Voorafgaand aan die gebeurtenis krijgt Wellenstein, door intimi ‘Mom’ genoemd, een oproep om in Delft op het hoofdbureau van politie te verschijnen voor verhoor, omdat hij wordt verdacht van het vervaardigen van vlugschriften van de studentenillegaliteit. Hij doet er luchtig over en lijkt nergens bang voor te zijn. Toch schrijft hij begin 1943 in zijn verslag over zijn voorbereidingen op dat verhoor: ‘Dan doe ik iets vreemds: ik trek heel warm ondergoed aan, een dikke trui en mijn stevigste schoenen.’ En daarmee laat hij zien dat hij wel degelijk bang is geweest.

In eerste instantie lijkt Wellenstein zich uit dat politieverhoor te kletsen. Maar dan bemoeit de SD zich ermee en wordt hij naar het Oranjehotel gebracht, de Scheveningse gevangenis voor politieke gevangenen. Hij vat er bewondering op voor twee medegevangenen, de communist Ben Hazekamp en pater Titus Brandsma, die later geëxecuteerd zullen worden. Zelf wordt hij van Scheveningen doorgestuurd naar het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort, waar hij in gevangene nummer 46 verandert.

Wellenstein heeft zijn verslag uit bescheidenheid pas zeventig jaar na dato in boekvorm gepubliceerd, onder de titel Nummers die een ziel hebben. Beter laat dan nooit, want zijn relaas is een belangrijke aanvulling op de reeds bestaande kampliteratuur. Niet alleen omdat het zo helder, onsentimenteel en beschouwend is geschreven, maar ook omdat het getuigt van een bewonderenswaardig inlevingsvermogen en een mate van menselijkheid die weinigen is gegeven. Daarbij onthult hij, voor zover mogelijk, ook nog eens waarom sommigen het kamp wel hebben overleefd en anderen niet.

Kongsi’s

Om je er door te kunnen slaan, was het belangrijk dat je jong en sterk was en niet te lang gevangen zat, dat je kongsi’s met medegevangenen kon sluiten en onderling solidair was, maar vooral dat je moreel hoogstaand en optimistisch moest zien te blijven. Dat laatste was Wellenstein – die na 1945 een van de grote wegbereiders van de EU zou worden – als geen ander.

In het kamp, waar hij zes maanden vastzat, weet hij zijn lot, soms met droge humor, te relativeren. Zeker wanneer hij het vergelijkt met dat van de Russische krijgsgevangenen in het kamp, die door de bewakers opzettelijk zwaar worden mishandeld of fysiek uitgeput.

Ook voor het zware lot van de kleine groep Joden in het kamp heeft hij een scherp oog. Hij beseft dat hun overlevingskans minimaal is. Anno 2013 voegt hij daar aan toe toen nog niets te hebben geweten van de industriële massamoord die hen te wachten stond: ‘het ging de stoutste menselijke verbeelding te boven.’

Maar ook veel niet-Joodse gevangenen gingen eraan, als het niet door uitputting en ziekte was, dan werden ze wel gefusilleerd. Over dat verdwijnen schrijft Wellenstein: ‘Uit de vuilnishoop van het kampleven bloeiden de vriendschappen als schone bloemen op, en de droefheid die zich van mij meester maakte als zo’n bloem door het noodlot plotseling werd weggerukt, zal ik niet trachten weer te geven.’

Zoals gezegd, ontbreekt het Wellenstein niet aan humor. Zijn bewakers geeft hij bijnamen als Schuddekontje of Schurkmans. Van sommigen ziet hij zelfs de goede kanten, bijvoorbeeld wanneer ze uit mededogen, voor zover je daarvan kunt spreken, de gevangenen aan extra voedsel of sigaretten helpen zonder er iets voor terug te verlangen. Wellenstein stelt zich dan ook op als een superbeschaafd en voorbeeldig mens, waarvan je je soms afvraagt hoe dat mogelijk is in zo’n gruwelijke omgeving.

Dat zijn humor ook functioneel is, blijkt wanneer hij schrijft over de receptitis, ‘de receptenziekte, die honderden slachtoffers maakte.’ Als hij en zijn kameraden ’s avonds na gedane arbeid weer zijn teruggekeerd in hun barakken beginnen ze allerlei mogelijke recepten die ze kunnen bedenken op vodjes papier te schrijven om zichzelf op die manier in hun fantasie godenmalen voor te zetten. Het bleek een perfect middel om de moreel op te krikken en gelukkig te zijn met een stronk witlof.

Wellenstein beseft al snel dat de indeling van mensen in ‘goeden’ en ‘slechten’ in een kamp niet meer bestaat, om de eenvoudige reden dat iedereen als het erop aankomt elke vorm van beschaving laat vallen. Eten is dan het enige dat telt. ‘Mensen van wie men dat in het geheel niet had verwacht, en die voorbeeldige burgers zijn geweest, blijken “dieven” te zijn.’

Een afzonderlijk hoofdstuk van Wellensteins bijzondere verslag is aan de Russische gevangenen gewijd. Van de honderd is de helft bij zijn aankomst al bezweken aan ziektes en uitputting. Knap beschrijft hij dat er in de barak van de Russen zo’n onmiskenbaar andere sfeer hing ‘dat wij hen nauwelijks als lotgenoten konden beschouwen.’ Het maakt hun lijden, dat door twee sadistische Nederlandse kampartsen werd vergroot, alleen nog maar erger. Wellensteins waarneming is daarmee een interessante aanvulling op het hartverscheurende boek Kind van het ereveld dat journalist Remco Reiding vorig jaar over de Russische krijgsgevangenen in kamp Amersfoort publiceerde.

Smoking

Poëtisch wordt Wellenstein in zijn herinneringen aan de andere ‘nummers’ in het kamp, zoals aan de Groningse dominee Z., die hem toevertrouwt na zijn vrijlating voortaan op zondag altijd in smoking te willen eten. Gruwelijk is daarentegen zijn herinnering aan notaris Dré, die het kamp binnenkomt als een opgewekte provinciaal, maar moreel steeds verder degenereert zodra hij voedsel van zijn medegevangenen begint te stelen. Als hij op heterdaad wordt betrapt volgt verbanning naar een deel van de barak waar de oudgedienden huizen, die minder geduld met hem hebben.

Als Dré tegen het einde van zijn straftijd wegens slecht gedrag nog eens drie maanden extra krijgt, stort hij in. Wat van hem rest is een armzalig hoopje mens. Zijn enige verlossing is de dood. Wellenstein beschrijft die ondergang in twee bladzijden zo aangrijpend, dat je je even zelf in de hel van het kamp waant.