Albert Speer blijkt de perfecte, moderne manager

Bernlef: Albert Speer, de ruïnebouwer. Querido, 185 blz, € 18,95

Toen de vorig jaar overleden schrijver Bernlef in 1980 De ruïnebouwer publiceerde, leefde Hitlers hofarchitect en minister van bewapening nog. Maar hij had Speer (1905-1981) niet bezocht om hem over zijn carrière en leven in nazi-Duitsland uit te horen. ‘Hem heb ik niets te vragen’, schrijft hij. ‘Hoogstens in een denkbeeldig gesprek’. Hierin zou de belangrijkste vraag zijn of ‘Speer zich een beeld had gevormd van de macht die hij eens bezeten had.’ Maar hij zou dan slechts stuiten op een grote leegte: ‘Macht zoog alles op, liet niets na.’

In de nieuwe, uitgebreide versie Albert Speer, de ruïnebouwer probeert Bernlef het raadsel Speer – hoe wordt een keurige man uit een welgesteld milieu een kopstuk van het naziregime? – op een ongewone manier op te lossen. Nadat hij zijn bezoeken aan onder meer Speers tot ruïnes vervallen gebouwen in Neurenberg heeft beschreven, begint het toneelstuk ‘Een schouwspel’. Ondanks de gedetailleerde regieaanwijzingen is het niet de bedoeling dat dit stuk ooit wordt opgevoerd, maar dient het slechts om vat te krijgen op de ongrijpbare Speer.

Hoewel Speer als briljante minister van bewapening sinds 1942 de wapenproductie aanzienlijk wist te verhogen en zo de Tweede Wereldoorlog minstens met een jaar verlengde, kreeg hij tijdens het Neurenberg Tribunaal niet de doodstraf maar twintig jaar gevangenisstraf. Als enige van de nazikopstukken bekende Speer ‘algemene schuld’ aan de misdaden van het naziregime, maar hij hield vol dat hij niets wist van de Holocaust. Op de rechter uit de Sovjet-Unie na geloofden de geallieerde rechters hem.

Het toneelstuk, dat vooral speelt in de gevangenis in Berlijn waar Speer zijn straf van twintig jaar uitzat, geeft Bernlef de kans om Speer zijn leven te laten overdenken zonder, zoals zo vaak in gefingeerde biografieën, hem potsierlijke citaten in de mond te leggen. Maar ook in het toneelstuk stuit Bernlef weer op de leegte. Als Speer in de gevangenis wordt gevraagd wat hij nu voelt, antwoordt hij: ‘Niets. Stilte. Een doods zwijgen. Iemand heeft voorspeld dat dat het ergste is.’

Na publicatie van de eerste versie van Speer, de ruïnebouwer bleek dat er eigenlijk helemaal geen raadsel-Speer was, zo blijkt uit het nu toegevoegde derde deel. In Albert Speer. Das Ende des Mythos uit 1982 bewees Matthias Schmidt onomstotelijk dat Speer had gelogen over zijn onwetendheid van de Holocaust. ‘Vandaag de dag zou hij een perfecte manager zijn die een failliet bedrijf saneert en zo weer winstgevend maakt,’ schreef Bernlef vlak voor zijn dood ten slotte. ‘Hij is definitief een man zonder gezicht geworden. Eindelijk ben ik van hem af.’