Al die jaren was ik een buitenstaander

Op haar achttiende lid van de NSB Na de oorlog zat ze opgesloten en bij terugkeer in haar dorp werd ze met de nek aangekeken, ruim zestig jaar lang Dit is haar verhaal

Voor de 95-jarige Conny van de Vijsel zijn de eerste dagen in mei elk jaar weer moeilijk. Het is een periode waarin jarenoude herinneringen zich ongewild opdringen. Het is dit jaar 68 jaar geleden dat zij en haar ouders gearresteerd werden vanwege hun lidmaatschap van de NSB. De tijd die daarna volgde, heeft haar voorgoed veranderd. In haar dorp werd ze jarenlang met de nek aangekeken. Ze hoorde er niet meer bij. Het kostte haar een leven lang om dat gevoel kwijt te raken. Toch gebeurde het onverwachts, op Koninginnedag 2011.

„Zo gauw ik achttien was, ben ik lid geworden. Ik zag in de NSB de samenhang van de mensen onderling. Die was zo goed.”

Waar zag u dat aan?

„We hadden het heel goed en gezellig. Maar de buitenwereld zag alleen maar negatieve dingen.”

Er zijn veel mensen verraden door de NSB. Heeft u daar tijdens de oorlog niks van gemerkt?

„Nee.” En dan, met enige stemverheffing: „Nee.” Ze vervolgt: „Wij hebben hier constant geleefd en gewerkt.” Ze wijst naar de groene achtertuin. „Mijn ouders hadden een kwekerij en verbouwden van alles in de tuin. We hebben veel mensen eten gegeven.”

De NSB had veel politieke idealen, wat was uw politieke ideaal?

„Een goede maatschappij.”

Wat hoopte u te bereiken door uw lidmaatschap?

„Dat er voor alle mensen een plaats was.”

Ook voor de Joden?

„Ook, voor iedereen. Maar overdag keken de mensen je niet aan. Dat was al zo tijdens de oorlog. Als ik op straat liep, dan bestond ik niet voor ze. Ik werd genegeerd vanwege mijn NSB-lidmaatschap.”

Begreep u waarom?

„Nee! Het was een legaal iets, zonder meer.”

Toch lijkt me dat als mensen u gaan negeren, u zich wel afvroeg hoe dat kwam.

„Nee. De buitenwacht was een beetje bang voor ons, omdat je bij de NSB was.”

Waar kwam die angst vandaan?

„Geen idee. Er was niks om bang voor te zijn. We hebben iedereen gewoon altijd ontmoet, ook mensen uit de kringen van het verzet.”

Toch was de NSB een soort afgeleide van de Duitse NSDAP.

Luid: „Nee, helemaal niet! De NSB was helemaal zelfstandig!”

Conny van de Vijsel is met haar 95 jaar momenteel de oudste inwoner van het dorp Den Dolder. Haar ouders waren één van de eerste leden van de in 1931 opgerichte Nationaal Socialistische Beweging (NSB). De NSB was een autoritair ingestelde partij, die weinig zag in het democratische Nederlandse bestel. De beweging benadrukte dat het belang van het collectief, het volk, uitsteeg boven dat van het individu. De familie Van de Vijsel onderhield nauw contact met veel prominente leden van de partij, onder wie één van de oprichters, Anton Mussert (1894) die de kwekerij van haar ouders zo nu en dan bezocht. Ook Conny van de Vijsel had gesprekken met hem. Als ze een foto van Mussert ziet die haar getoond wordt, schieten de tranen haar in de ogen.

„Het doet me nog pijn. Deze foto herinnert me aan een televisie-uitzending van vijf jaar geleden. Het ging over de laatste dagen van Mussert in de Scheveningse gevangenis. Ik zet het meestal af, omdat ik er niet tegen kan. Maar wat er toen werd uitgezonden, heeft me kapotgemaakt. De beelden toonden hoe Mussert ’s morgens uit de gevangenis werd gehaald en hoe hij werd weggeleid. En weet je wat nou het erge is? Dat ik het schot hoorde waarmee hij kapotgeschoten werd in de duinen. Dat is vreselijk geweest. Dat geluid ben ik nooit kwijtgeraakt. Ik hoor het nu nog steeds.”

Dat zegt iets over uw band met hem, was die zo persoonlijk?

„Ik had een persoonlijke band met hem. Ik ben weken erna niet aanspreekbaar geweest voor mijn omgeving, zo erg heeft het me aangegrepen.”

Wat vond u van Mussert?

„Een goed en doordacht mens. Een goed iemand.”

En de verhalen van na de oorlog? Heeft hij mensen verraden?

„Nee, dat heeft hij niet. Pertinent niet.” Conny van de Vijsel zwijgt kort en zegt nog eens: „Pertinent niet, absoluut niet. Daar ken ik hem te persoonlijk voor, zoiets deed hij niet. Hij was onze leider, dat is hij altijd gebleven.”

Op 6 mei 1945 wordt Conny van de Vijsel, net als haar ouders, gearresteerd vanwege haar NSB-lidmaatschap. Na een korte periode in Kamp Zeist wordt ze overgebracht naar Amersfoort waar ze anderhalf jaar gevangen zit.

U zat tijdens de executie van Mussert in Kamp Amersfoort, hoe reageerden de mensen daar?

„Zijn executie was een geheim, zogenaamd. Maar op de ochtend dat het gebeurde, wist toch iemand in het kamp het. Hij ging rond en zei: Kameraden, onze leider is vanmorgen geëxecuteerd, twee minuten stilte graag. Iedereen ging toen als één man staan en zweeg. Dat viel de kampleidster natuurlijk op.”

Hoe reageerde zij?

„Oeh, niet best, maar niemand ging zitten.” Conny van de Vijsel lacht. „Iemand zei tegen haar: Onze leider is vanmorgen geëxecuteerd, mogen wij? Toen had ze niks te zeggen natuurlijk. We stonden allemaal tegelijkertijd keurig netjes in de houding.”

Hoe kijkt u terug op die periode?

„Die hele kamptijd heeft zoveel slechte herinneringen teweeggebracht. We hadden geen contact met de buitenwereld en de verhoren waren zwaar. Ik was nogal een heethoofd. Ik was scherp.” Ze glimlacht.

Hoe behandelde de kampleiding u?

„Grof. Ik ben drie keer bedreigd met een knuppel en een zweep. Ik zat in een verhoor en mij werd gevraagd of ik bepaalde dingen wist van andere NSB-leden die ik kende. Die verhoren zijn niet lekker. Terwijl ze dat vroegen, stond achter me een wacht klaar met een knuppel. De kampleidster vroeg: weet je echt niks? En ik zei nee. Maar de gevolgen daarvan, dat er constant iemand achter me stond om me kapot te slaan, dat heeft me diep geraakt. Ik heb er na de oorlog vaak nachtmerries over gehad.”

Toen Conny van de Vijsel na anderhalf jaar interneringskamp weer naar huis mocht, was het huis een puinhoop. Waardevolle spullen waren gestolen en ook haar diploma’s, bijvoorbeeld die van doktersassistente, waren weg. Ze moest opnieuw beginnen. Ook de kwekerij van haar ouders zat aan de grond. Er was geen kapitaal meer. Met haar ouders bouwde ze het bedrijf weer op.

Hoe reageerde het dorp na uw terugkomst?

„Vijandig. Ik bestond niet.”

Is er iemand geweest die naar u toe is gekomen om erover te praten?

„Nee. Een aantal jaar geleden is mij wel ter ore gekomen dat onze familie bij het verzet een goede naam had.” Fel: „Hadden ze na de oorlog het lef maar eens gehad om dat te zeggen. In plaats van dat ik daardoor veertig jaar in de rotzooi zat.”

Heeft u ooit overwogen te verhuizen uit Den Dolder?

„Nee, nooit! Wij hebben nooit iets misdaan, we hebben nooit mensen kwaad gedaan. Wat moet je dan? Als ik elders ben, dan word je er ook mee geconfronteerd.”

Maar hier kende iedereen u…

„Daar trok ik me niks van aan. Al keken ze me scheef aan, of lelijk, of boos, of ze zeiden niks, dat moesten ze zelf maar weten. Dat is een karaktertrek. Als ze niks van me willen weten, dan ajuu.” Ze grinnikt zacht.

Dat moet zwaar geweest zijn, hoe bent u door die tijd heen gekomen?

„Op een dag had ik er genoeg van. Ik zoek mijn eigen weg wel, dacht ik. Ik kreeg werk in een bejaardentehuis bij een tante. Ik werkte met collega’s die me er doorheen hebben getrokken. Ik werd weer een beetje mens. Aanvankelijk heb ik veel moeite gedaan om weer terug te komen in de maatschappij. Mijn diploma’s waren vernietigd, maar ik wilde dolgraag nog een opleiding doen en werk vinden. Ik wilde mensen helpen. Maar ik werd nergens meer aangenomen.”

Waarom lukte dat niet?

„Als ik me ergens aanmeldde, dan kreeg ik een ellenlange vragenlijst die ik moest invullen. Eén vraag was: hoe was u georiënteerd tussen 1940 en 1945? Daar liep ik altijd vast. Mijn dossier lag in Den Haag en daar kon altijd navraag gedaan worden. Dat heeft me jarenlang achtervolgd.”

Ook al was Conny van de Vijsel blij met haar collega’s, ze bleef naar eigen zeggen ‘een afstandelijk persoon’ en ‘een gesloten boek’. Haar belevenissen in Kamp Amersfoort waren jarenlang een te beladen onderwerp. Ze sprak er nooit over. Het grootste deel van de tijd werkte ze bij haar ouders op de kwekerij. Ze trouwde, maar na ruim tien jaar strandde het huwelijk. Toen haar ouders halverwege de jaren zeventig kort na elkaar overleden bleef ze alleen op de kwekerij wonen. Haar wereld was klein. De afwijzing uit het dorp maakte haar isolement des te groter. Ze voelde zich geen deel meer van de maatschappij. Een gevoel dat ze pas de laatste twee jaar echt kan loslaten.

U heeft twee jaar geleden uw stemrecht teruggekregen, had dat niet veel eerder moeten gebeuren?

„Dat was een administratieve fout. Ik had het na Kamp Amersfoort al terug moeten krijgen. Mijn ouders zijn het nooit kwijt geweest, ik keek altijd toe als zij gingen stemmen.”

Heeft u nooit gevraagd aan de gemeente waarom u niet mocht stemmen?

Conny van de Vijsel onderbreekt de vraag nog voor deze gesteld is. „Absoluut niet. Daar was ik veel te trots voor.”

Koninginnedag 2011. Haar ogen lichten onverwachts op.

Vertelt u eens wat er gebeurde toen u 30 april wakker werd.

„Ik werd wakker en mijn buurman Clemens stond aan mijn bed. Hij zei: ‘Conny, opstaan, aankleden, wassen. Je mag weer stemmen, dus je gaat dit jaar ook mee naar de Koninginnedagviering in het dorp.’ Ze glundert. ‘Tsja, en wat moet je dan? Ik hou na al die jaren nog steeds niet van openbare gelegenheden. Afijn, ik had geen kans om nee te zeggen, dus ik heb het toch gedaan.’”

Hoe vond u het?

„Het was plezierig. Ik ontmoette wat mensen uit het dorp en we dronken wat. De burgemeester hield een speech. Op een gegeven moment was het officiële gedeelte afgelopen. De burgemeester was klaar met zijn verhaal en plotseling zie ik hem twee oranjebitter halen en dan komt hij recht op mij af!”

Wat dacht u toen?

„Ik dacht, mijn god, wat nu? Er ging iets prettigs door me heen. Hij pakte een stoel en kwam bij me zitten. Ik denk dat Clemens er iets mee te maken heeft gehad, want die zag ik eerder met hem praten.”

Wat zei de burgemeester tegen u?

„Hij zei: ik moet met u een oranjebitter drinken, want u heeft het nodig. Ik keek hem strak aan en ik zag aan zijn gezicht dat het hem ernst was.”

Wat betekende het voor u dat hij dat zei?

Ze schraapt haar keel en zegt langzaam: „Nu moet je goed luisteren. Ik heb vanaf mijn jeugd in zo’n klein hokje gezeten.” Ze houdt haar vingers een paar centimeter uit elkaar. „Ik werd door de mensen niet meer aanvaard, ik werd nergens meer aangenomen. Ik werd afgewezen en daarmee heb ik jaren moeten leven.” Ze is even stil en zegt dan bijna fluisterend: „Dat hij dat zei, betekent voor mij rehabilitatie. Ik hoor er weer bij. Het is gebeurd in een openbare gelegenheid, op Koninginnedag, waar allemaal mensen bij waren. Hij had zijn ambtsketen om. Dat is verschrikkelijk hard aangekomen. Ik was er echt door van de kaart. De burgemeester heeft mij door zijn houding weer gelijk gemaakt met jullie allemaal.”

Burgemeester Koos Janssen van de gemeente Zeist laat weten dat dit ook voor hem een onvergetelijke ontmoeting is geweest.

Heeft die ontmoeting van u een ander mens gemaakt?

„Ja. Ik heb het menselijke in de burgemeester ervaren. Hij liet me voelen dat ik er weer bij hoor na 66 jaar. Ik had niet verwacht dat nog mee te maken.”