Column

Zo verwelkend, zo broos, zo sterfelijk. Zo vol leven

‘La bohème’ in de regie van Lotte de Beer. Foto Olivier Middendorp

Mocht ik Ryan Gosling dezer dagen tegen het lijf lopen (je weet maar nooit), dan zei ik hem hoe ik genoot van zijn rol als getatoeëerde hufter in The Place Beyond the Pines. Een agressieveling, maar hij kijkt als een haas in het nauw. Ik geef het je te doen. Tien tegen één dat Ryan Gosling na een beleefd bedankje zo snel mogelijk het gesprek op zijn nieuwste film zou brengen. Zijn „laatste”’, zou hij zeggen. Een goeie kunstenaar maakt elk nieuw kunstwerk nu eenmaal alsof het zijn of haar laatste is.

Maar wat als zo’n werk nou écht het laatste is? Wat als er daadwerkelijk gestorven werd?

Ik bezoek het Museum für Moderne Kunst in Frankfurt en het eerste wat ik zie is een grote close-up van een lenteboeket. Deze foto van het duo De Rijke/De Rooij is machtig maar troosteloos, want zonder kleur. Al dat zachte grijs zingt van sterven.

Ik ben hier, omdat dit museum fotografe Rineke Dijkstra uitnodigde om haar eigen werk te combineren met dat van andere kunstenaars. Ik verwachtte een keuze voor foto’s en video’s. Die zijn er ook, en hele goeie. Maar ze selecteerde vooral installaties, waardoor het me ineens daagt dat Dijkstra haar eigen fotoreeksen en video’s eigenlijk beschouwt als een almaar groeiende installatie over haar denken en dromen.

Ik stap weg van de foto met de grijze bloemen. Sla een hoek om. Beland twee zalen verder.

En daar is dat boeket! Het is enorm, en het ontkent de foto, staat te stralen op een piedestal, met dank aan de locale bloemist.

De dood bestaat, maar hij bestaat ook niet, zegt deze. Deze installatie, hij heet Bouquet IV, ontwierpen De Rijke/De Rooij in 2005. In 2006 overleed Jeroen de Rijke onverwacht. Dood kun je niets meer doen, maar juist met zijn dood transformeerde hij Bouquet IV in de geest van Mark Twain: „De berichten over mijn dood zijn sterk overdreven.”

Dijkstra koos dit werk voor haar expositie, maar een museum verder zou het ook op zijn plaats zijn, in de Schirn Kunsthalle, waar ze een tentoonsteling hebben die Letzte Bilder heet. Dat bedoelen ze letterlijk. Hier zijn de laatste waterlelies te zien die Monet in 1919 schilderde, de laatste krassen die experimentele filmer Stanley Brakhage in het celluloid zette, enkele dagen voor zijn dood in 2003. Hier hangt de laatste foto van kunstenaar Bas-Jan Ader (†1975), voor hij in zijn minieme zeilschip verdween op de Atlantische Oceaan – hetzij omdat hij verongelukte of omdat hij bij wijze van radicale artistieke keuze zijn noodlot opzocht (wat ik al te pervers zou vinden). Edouard Manet (†1883) was ziek en moest in bed blijven, maar bleef intimiteit najagen in schilderijtjes van de boeketjes die zijn bezoekers meebrachten. Willem de Kooning (†1997) maakte ondanks zijn dementerende hersens misschien wel zijn mooiste doeken: hij ving licht en golvende kleuren alsof hij joelde: Dood? Ik? Echt niet! En net toen fotograaf Walker Evans (†1974) verzwakt was na een zware operatie, vond Polaroid de instant camera uit. Hij stapte in de auto en maakte een laatste serie essentiële foto’s, langs de kant van de wegen.

Wat zeggen die ‘letzte Bilder’? Weinig over de dood, veel over kunstenaars. Die zijn altijd al bezig met hun ‘laatste beeld’. Wordt het menens, dan doen ze er een schepje bovenop. Ze tarten de dood niet eens, ze keren hem de rug toe en zetten het op een leven. Elders in Frankfurt eist Rineke Dijkstra dus achteloos een vergelijkbare levenshouding op voor de broze types uit de jeugdscene. Haar onthutsende portretten zijn stillevens: zo jong, zo verwelkend, zo sterfelijk. Zo vol leven.

Ik sta in het donker van haar video-installatie The Krazy House. Die zag ik vaker, maar altijd sta ik opnieuw paf van de dansende jongeren op de grote schermen om me heen. Dit keer word ik vooral gegrepen door Simon, een bleke jongen in het zwart, die zich uitleeft op heavymetalmuziek. Zijn dans is zwaar werk. Al headbangend verstopt hij zijn gezicht achter zijn haren. We mogen genieten van zijn bewegingen, maar hij wil niet dat wij direct zien wat hij voelt. En dat moet veel zijn: met een heftige wijsvinger snijdt hij zijn eigen keel af. Hij daagt de dood uit, en juist daaraan kun je zien hoe graag hij leeft. Ik slik. Hij danst door, met zijn haar voor zijn ogen.