Schaatsen mocht wél van de Duitsers

De Sportherdenking staat 4 mei in het teken van schaatsen tijdens de oorlog. „Via sport krijg je een goed beeld van de maatschappij van toen.”

Schaatsende soldaten op de bevroren Hollandse Waterlinie. Anne Frank met vriendinnen op het ijs in het Vondelpark tijdens de eerste oorlogswinter. Massale belangstelling voor Elfstedentochten in 1941 en 1942. En terwijl het westen van Nederland leed onder de hongerwinter, gingen de kortebaanwedstrijden in Friesland ‘gewoon’ door. „Er werd volop geschaatst in de Tweede Wereldoorlog”, vertelt sporthistoricus Jurryt van de Vooren. „Op het ijs krijg je een goed inzicht in het dagelijks leven in de oorlog.”

Schaatsen is zaterdag het thema van de Sportherdenking, die sinds 2005 jaarlijks plaats heeft bij het Olympisch Stadion in Amsterdam. Eerder stonden onder meer voetbal, atletiek en hockey centraal. „Voor de meeste mensen is onbekend hoe belangrijk sport was in de oorlog”, zegt Van de Vooren, organisator van de bijeenkomst. „Op een positieve manier, als afleiding. En negatief, denk aan de Joodse sporters die werden uitgesloten en vervolgd. Wij willen informatie toevoegen, niet alleen over sport praten maar via die omweg een beeld geven van de maatschappij van toen.”

Juist schaatsen betekende in Nederland volgens de sporthistoricus meer dan sport alleen. „Voetbal en wielrennen waren sportief gezien groter. Maar schaatsen was ook op andere manieren belangrijk. Soldaten moesten leren schaatsen om het land te kunnen verdedigen bij gevechtshandelingen in de winter. In 1939 versloegen de Finnen de Russen omdat ze beter konden schaatsen. Daar werd ook in Nederland op getraind. De winters waren streng, de Waterlinie was in 1940 bevroren, het was de enige periode met drie opeenvolgende Elfstedenwinters.”

De symbolische waarde van schaatsen voor ons land blijkt uit krantenartikelen over schaatslessen die de prinsessen Beatrix en Irene in 1944 kregen in het Canadese Ottawa, waarnaar hun familie was uitgeweken. Van de Vooren: „Wilhelmina en Juliana deden voor de oorlog bij wijze van spreken niets anders dan schaatsen als het vroor. Daar is zelfs een Engelse film van, Dutch Queen on Skates. Die diende om te tonen dat zij hetzelfde deden als alle Nederlanders. Vooral voor toekomstig koningin Beatrix was het belangrijk dat ze het volk bij terugkeer in Nederland kon laten zien dat ze kon schaatsen.”

De Duitse bezetter liet de Nederlanders op het ijs zoveel mogelijk begaan. „Ze hadden zich nog minder geliefd gemaakt als ze daar moeilijk over zouden doen”, zegt Gauke Bootsma. De directeur van het Schaatsmuseum in Hindeloopen verzorgt bij de herdenking een lezing over het Friese schaatsen in de oorlog. Niet alleen de Elfstedentochten mochten in de eerste oorlogsjaren doorgaan. „Ook toertochten als de Elfmerentocht waren populair. De Duitsers bleven er liever vandaan.”

Bewust beleid, volgens Van de Vooren. „Rijkscommissaris van Sport, Hans von Tschammer und Osten, had ‘wie aan sport doet, zondigt niet’ als motto.” Dus mocht Nederland in de eerste oorlogswinters massaal het ijs op. Totdat ze wegens de anti-Joodse maatregelen moest onderduiken bleek ook Anne Frank een schaatsliefhebber, niet alleen op natuurijs maar ook in de Apollohal. „Ik ben elk vrij minuutje op de kunstijsbaan”, schrijft ze op 13 januari 1941 aan haar neef Bernd Elias, die in Zwitserland meedoet aan ijsshows.

In het voetbal werd tot lang na de oorlog gediscussieerd over vermeende foute spelers of bestuurders. Sprinter Tinus Osendarp en wielrenner Cor Wals waren lid van de SS. „In het schaatsen heb je zulke figuren bij mijn weten niet”, zegt Van de Vooren. De herdenking gaat er ook niet over. „Het hele perspectief van goed en fout blijkt een naoorlogs stempel. Verslagen uit die tijd zelf, van mensen die de afloop nog niet weten, geven een totaal andere beleving.”

Neem het NK allround in 1942 in Amsterdam, dat na de eerste dag werd afgebroken omdat er teveel sneeuw op het ijs lag. „De deelnemers waren boos: dat moet de organisatie toch kunnen oplossen? Wat ze niet wisten was dat de organisatoren hadden gehoord dat er een razzia gepland stond voor de tweede dag, waarbij alle mannelijke toeschouwers zouden worden afgevoerd. Daarom gooiden ze ’s nachts sneeuw op het ijs.”

Bij de ‘schaatsherdenking’ zaterdag (vanaf elf uur in de Phanos -kantine) ook radiofragmenten van Elfstedenrijder Willem Augustin, die in 1941 op zijn fiets vanuit Amsterdam over de Afsluitdijk reed om in Leeuwarden te starten. Bootsma vertelt over leden van de Jeugdstorm, de jongerenafdeling van de NSB, die de Tocht reden. En van kortebaanwedstrijden, die tot in de winter van 1945 werden georganiseerd. „Friesland kende geen honger, dus dat ging gewoon door. Zoals altijd.”

Nadat om half één de vijf olympische ringen als krans zijn gelegd, kan de jeugd meedoen aan een skeelerclinic met ex-rijdster Annamarie Thomas. „De traditie moet zich aanpassen aan de jeugd”, zegt Van de Vooren. „Zo houd je de traditie levend.”