Ook de discussie over 4 mei is een ritueel geworden

Voor wie is Dodenherdenking bedoeld? Officieel heet het dat we allen herdenken die in Nederland of daarbuiten omkwamen vanaf de Tweede Wereldoorlog, bij oorlogssituaties en vredesoperaties. Maar hoe ruim mag je dat interpreteren? En wie mogen er meedoen?

Het is een dag van rituelen. Op 4 mei klinken elk jaar de klokken over de Waalsdorpervlakte, de plek waar tijdens de Tweede Wereldoorlog veel Nederlanders zijn gefusilleerd. Op 4 mei wordt het elk jaar stil bij het Nationaal Monument op de Dam, de plek waar het staatshoofd een krans legt voor alle gevallenen. Op 4 mei hangt in heel Nederland de vlag halfstok.

De afgelopen jaren is hier een ritueel bijgekomen: het ruzie maken over wie en wel en niet herdacht mag worden op 4 mei. Bij elke discussie is het patroon hetzelfde: iemand stelt voor om de Nationale Dodenherdenking meer inclusive te maken, waarna de tegenstanders van dit idee zeggen dit dit getuigt van te weinig respect voor wat in hun ogen de ‘echte slachtoffers’ zijn.

Voor wie is de Dodenherdenking bedoeld? Het officiële gedenkschrift luidt: „Tijdens de Nationale Herdenking op 4 mei herdenken we allen – burgers en militairen – die in het Koninkrijk der Nederlanden of waar ook ter wereld zijn omgekomen of vermoord sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, in oorlogssituaties en bij vredesoperaties.”

Hoe ruim zijn deze woorden te interpreteren? In 2008 zei Jet Bussemaker (PvdA), toen staatssecretaris van VWS, dat er meer aandacht moest komen voor de rol van allochtonen bij de bevrijding van Europa. Het kwam haar op een storm van kritiek te staan, onder meer van de PVV. Die partij repte van „multiculturele geschiedvervalsing”.

In Culemborg ontstond in 2011 onrust binnen het comité dat daar de Dodenherdenking organiseert. Twee leden stapten op toen Grimbert Rost van Tonningen, zoon van NSB-prominent Meinoud Rost van Tonningen, werd uitgenodigd om een toespraak te houden tijdens de plechtigheid. Hij pleitte voor een „minder eenvormige manier” van herdenken op 4 mei. „Met alle Nederlanders, dus ook de mensen met een NSB-verleden.” Na afloop van zijn rede klonk applaus.

Vorig jaar waren er twee zaken die de gemoederen beheersten. In Vorden wilde men op 4 mei ook langs het graf van een aantal Duitse soldaten lopen, als teken van verzoening. En in Amsterdam was het de bedoeling dat een scholier een gedicht zou voordragen over zijn oudoom, die een foute keuze had gemaakt door bij de Waffen-SS te gaan.

Joodse organisaties en verzetsstrijders waren ongelukkig met deze voornemens. De rechter verbood de gang langs de Duitse graven in Vorden, terwijl het Nationaal Comité 4 en 5 mei het gedicht van de scholier terugtrok.

Allochtonen, NSB’ers, Duitsers en SS’ers: hun plek binnen de Nationale Dodenherdenking is, op zijn zachtst gezegd, niet vanzelfsprekend. Maar de discussie over de invulling van 4 mei duurt voort.