Oog in oog met het kwaad

Film // Hannah Arendt kreeg ongekend scherpe kritiek op haar boek over oorlogsmisdadiger Adolf Eichmann Ze raakte hiermee aan gevoelige kwesties Kwesties die nog altijd voortleven

De kritiek op Hannah Arendts boek Eichmann in Jerusalem. A Report on the Banality of Evil was bij verschijning in 1963 ongekend scherp: ze zou nazi zijn, aan joodse zelfhaat lijden, de joden de schuld van de Holocaust geven, een oorlogsmisdadiger vrijpleiten, een joodse antisemiet zijn. Vriendschappen werden opgezegd, professoraten aan Amerikaanse universiteiten beëindigd, rabbijnen in heel de Verenigde Staten waarschuwden tegen het boek.

De filosoof Arendt (1906-1975) deed verslag van het proces tegen de Duitse oorlogsmisdadiger Adolf Eichmann in 1961. Eichmann, de organisator van de moord op miljoenen joden onder het naziregime, was na de oorlog naar Argentinië ontkomen, en werd in 1960 door de Israëlische geheime dienst ontvoerd en naar Israël gebracht. Na een zeer emotioneel verlopen proces, waarbij slachtoffers van de Holocaust getuigden over de verschrikkingen in de kampen, volgden de doodstraf en executie.

Arendt, zelf joods, was Duitsland in 1933 voor de nazi’s ontvlucht naar Frankrijk. Toen de Duitse inval haar in 1940 inhaalde, wist ze opnieuw te vluchten en kwam in 1941 in de Verenigde Staten aan, om er te blijven.

De woedende kritiek op haar boek had vooral betrekking op twee elementen. Ten eerste de karakterisering van Eichmann als de belichaming van ‘de banaliteit van het kwaad’. Behalve in de titel komt deze opmerking maar één keer voor. Maar van de gedachtengang is heel het boek doortrokken: de verdachte in zijn glazen kooi is geen spectaculaire schurk, onmens, monster of zelfs een overtuigd antisemiet. Hij is een gewone, saaie man, en nog verkouden ook. Hij is een nobody, en vertoont daarin sterke gelijkenis met u en ik op een doordeweekse dag.

Ontsloeg Arendt daarmee Eichmann van zijn schuld, zoals de critici zeiden? Natuurlijk niet. In een prachtig opgeschreven boutade bepleit ze zelfs de doodstraf, maar op geheel andere gronden dan de rechtbank: wie het niet kan opbrengen met andere volkeren dan zijn eigen op de aarde te vertoeven, dient niet gek op te kijken als hij vervolgens door die volkeren op zijn beurt uit de weg wordt geruimd. Arendt nam Eichmanns uitvluchten voor de rechtbank – dat hij maar een onbeduidend radertje in de machine was geweest en zich niet had geïnteresseerd voor de ideologie van het antisemitisme – voor waar aan, maar ontdeed ze tegelijkertijd van de ontlastende werking waarop de verdachte hoopte.

Wat Arendt voor kwaadwillige kritiek erg kwetsbaar maakte, waren de passages over de rol van Joodse Raden bij de organisatie van de Holocaust. Als die organisaties van joden niet zo braaf hadden meegewerkt, was het aantal slachtoffers van de Holocaust niet in zoveel miljoenen gelopen, aldus Arendt. Haar stelling is onbewijsbaar. Bovendien beging de auteur een polemische uitglijder door in de eerste versie van het boek de voorzitter van de Joodse raad in Berlijn ‘de joodse Führer’ te noemen – gecorrigeerd in latere versies.

De toenmalige Israëlische premier David ben Gurion had met het proces evidente ideologische en politieke bedoelingen: de Holocaust zou worden gepresenteerd als de laatste manifestatie van een lange traditie van pogroms in Europa, waartegen de joodse staat Israël de enige effectieve bescherming vormde. De diaspora was voorbij. In het verlengde van deze redenering moest elke kritiek op de staat Israël voortaan als een uiting van antisemitisme worden beschouwd.

Met deze trend wilde Arendt in de jaren zestig echter niets van doen hebben. Uit briefwisselingen weten we dat de romantische, zionistische droom die ze in haar meisjesjaren had aangehangen al lang vervlogen was. Ze had zich in 1951 tot Amerikaanse laten naturaliseren. Het propagandistische element voor de staat Israël in het proces stoorde haar – vooral de naar haar smaak melodramatische aanpak van de aanklager. Haar viel op dat de Palestijnen voor de stichting van de Joodse staat de belangrijkste rekening kregen gepresenteerd, terwijl die met de Holocaust in het geheel niets van doen hadden. Als stadse intellectueel irriteerde haar ook de rol van streng gelovigen en andere ‘oosterse’ elementen in Israël.

De rel rond Eichmann in Jerusalem laat de contouren zien van een debat dat nog altijd voortduurt: met welk recht ontneemt Israël de Palestijnen hun rechten? En kan alle kritiek op Israël als antisemitisme worden opgevat? Op de achtergrond speelt een onderwerp dat eveneens met taboes is omgeven: voor de oorlog was het zionisme wereldwijd onder joden een minderheidsovertuiging, en er zijn nog altijd veel joden die van het huidige Israël weinig moeten hebben en zeker niet van plan zijn er te gaan wonen.