‘Nu wordt zo veel herdacht dat je niks meer herdenkt’

Pim Reijntjes (93) zat als verzetsman in kampen en verrichtte dwangarbeid.

Pim Reijntjes. Foto Rien Zilvold

Pim Reijntjes (93) was drieëntwintig toen een vriend van hemdoor Duitsers van straat werd geplukt. Met negen andere willekeurige passanten werd hij geëxecuteerd, als represaille voor een verzetsactie. Reijntjes en zijn broer waren woedend. Ze moesten iets doen. Maar wat? „Mijn ouders hadden al onderduikers in huis, maar wij wilden meer.” Samen met zijn broer sloot hij zich aan bij Engelandvaarders, die zich bij de geallieerde legers voegden. Voor vertrek werd de groep verraden en opgepakt.

Reijntjes kwam terecht in concentratiekamp Natzweiler. Hij denkt nog vaak aan de dikke zwarte rookwolken die over het kamp hingen toen een grote groep jonge Franse verzetsstrijders gecremeerd werd. „Ze waren dezelfde dag met vrachtwagens het kamp binnengereden.” Toen de geallieerden in de buurt kwamen, werd Reijntjes, met duizenden andere gevangenen, geëvacueerd naar Dachau. Een kamp dat stampvol zat. Regelmatig brak er een vlektyfusepidemie uit. Hij verrichtte maandenlang zware dwangarbeid in een vliegtuigfabriek.

Nu, zeventig jaar later, woont hij met zijn vrouw in een vrijstaand huis in het bos bij Lage Vuursche. Hij heeft kinderen en kleinkinderen. Zijn broer stierf lang geleden. Ze zagen mensen verhongeren of gedood worden. Zijn broer trok het zich meer aan. „Ik nam er afstand van als ik zoiets zag. Ik dacht: er is toch niks wat ik kan doen.”

Onder gevangenen was een sfeer van wantrouwen. „Er waren warme vriendschappen, maar uiteindelijk zat je toch met allemaal mensen die voor zichzelf moesten knokken.” Het brood dat ’s ochtends en ’s avonds werd uitgedeeld, werd direct opgegeten. Uit angst dat een ander het zou stelen. Reijntjes zag velen die zich onder deze omstandigheden niet konden redden. Hen herdenkt hij nog elk jaar. Waarom? „Om de doden te herdenken.” Sinds 1996 gebeurt dat bij het Dachaumonument in het Amsterdamse Bos. Ondanks zijn leeftijd kan hij er nog jaarlijks heen, met rollator. Ook was hij vaak bij de Nationale Dodenherdenking op de Dam. Dat vindt hij altijd erg indrukwekkend. Maar er is „onvoldoende aandacht” voor de concentratiekampen. „Soms wordt Dachau niet eens meer genoemd.”

Jaren geleden werd besloten om niet jaarlijks aan elk concentratiekamp apart aandacht te besteden. Reijntjes begrijpt die beslissing best. „Je had wel tien clubs die allemaal hun eigen krans legden. Maar het resultaat is nu dat Dachau onderbelicht blijft.”

De keuze om de herdenking breder te maken dan alleen de Tweede Wereldoorlog vindt hij al helemaal ongelukkig. Nu worden mensen herdacht „die gevochten hebben op weet ik veel wat voor plekken”. Het moet vooral duidelijk zijn wát er wordt herdacht, vindt Reijntjes. „Nu wordt er zo veel herdacht, dat je op een gegeven moment niks meer herdenkt.”

Op 4 mei zou alleen de Tweede Wereldoorlog herdacht moeten worden. „Ja, in Joegoslavië en Libanon zijn ook Nederlandse doden gevallen, maar dat hoef je niet op 4 mei te herdenken. ” Ook omgekomen Duitsers moeten daar niet herdacht worden, volgens Reijntjes. Toen vorig jaar discussie ontstond over de herdenking in Vorden, waar ook aandacht was voor Duitsers, moest hij denken aan een uitspraak van Benjamin Franklin: ‘when in doubt, don’t’. Sommige mensen kunnen zich erdoor gekwetst voelen. „Zelfs al vindt 75 procent dat flauwekul, dan is die 25 procent nog voldoende reden om het niet te doen.”

Ook zelf herdenkt hij geen Duitsers. „Als ik nu terug ben in Dachau, heb ik daar warme contacten met Duitsers. Maar dat zijn niet de soldaten die hier Nederlanders hebben doodgeschoten.” Natuurlijk, sommige jonge Duitsers vervulden slechts hun dienstplicht. Sommigen voelden geen blinde haat voor Joden. „Maar waarom moet ik daar onderscheid in maken? Ook door dienstplichtigen is bijzonder veel gemoord.”