Je moet buiten de gebaande paden treden

Nico Rienks en Ronald Florijn wonnen beiden twee keer goud – op de Spelen van 1988 en 1996. Nu willen ze als bondscoach roeien weer naar de wereldtop leiden.

Ze willen geen betweters zijn. Geen oude zakken die de jeugd even komen vertellen hoe je olympisch goud haalt, zoals zij deden – twee keer zelfs. Maar afgelopen zomer, toen Nederland de Spelen van Londen verliet met één bronzen roeimedaille, jeukten de handen van Nico Rienks en Ronald Florijn. Ze belden elkaar, spraken erover, wisten dat het beter kon dan dit. „Zonde dat wij daar met al die kennis op de tribune stonden.”

Vijfentwintig jaar nadat ze in Seoul hun eerste olympische titel wonnen, zijn Rienks (51) en Florijn (52) herenigd op de Bosbaan van de Koninklijke Nederlandse Roeibond (KNRB) in Amstelveen. Voor het eerst in dienst van de roeibond: Rienks als bondscoach, Florijn als jeugdbondscoach. „Als je vindt dat het beter kan moet je ook verantwoordelijkheid nemen”, zegt Rienks. Hij werd begin dit jaar benaderd door oud-volleybalbondscoach Joop Alberda, die in de nasleep van Londen drie maanden puin ruimde bij de roeibond. Want er was te veel mis: zwakke prestaties, disfunctionerende bondscoaches, onderling wantrouwen, roeiers die van hun coach afwilden. En dat in een klein roeiland met zo’n verleden: Rienks en Florijn zetten in 1988 de toon in de dubbeltwee en gebruikten hun expertise om te bouwen aan een machtige Holland Acht, die in 1996 goud won op de Spelen in Atlanta.

Met Rienks en Florijn moet het roeien terug naar de toekomst. „Een roeimedaille is redelijk maakbaar’’, zegt Rienks in de keuken van het bondsbureau aan de Bosbaan. Naast hem knikt zijn oude strijdmakker Florijn, die hem ooit in de roeiboot uitnodigde. „Maar er moet wel continuïteit zijn. In de huidige equipe heeft niemand de maatstaf. Er loopt niemand rond die zegt: als je doet wat ik doe, komt het goed.”

Zo ging het ook met ‘hun’ Holland Acht van 1996. Rienks en Florijn waren de drijvende krachten. „Daar zullen ook roeiers in hebben gezeten die dachten: ‘als hij goud kan halen, kan ik het ook’. Ik was nooit zo gespierd. Maar dan moet je wel hetzelfde trainingsschema volgen en er helemaal voor leven.”

Ze zullen putten uit eigen ervaring. Rienks heeft alle schema’s nog thuis liggen. Bang dat hij te veel op vroeger vertrouwt is hij niet. „Er is niks veranderd. Al die verhalen over een nieuwe boot, allemaal flauwekul. Dit is niet arrogant bedoeld, maar met de snelheid die wij toen hadden, zouden we nu zilver halen, misschien gewoon winnen.”

Ze waren hun tijd ver vooruit in de jaren tachtig, toen dopingsporters uit Oost-Europa, met name de DDR, de dienst uitmaakten. Tien jaar lang roeiden ze er achteraan, tot die ene warme dag in Seoul. In de acht daaropvolgende jaren haalden ze nog zeven medailles op WK’s en Spelen. Rienks: „Om kampioen te worden moet je buiten de gebaande paden treden. Wij trainden twee keer per dag, dat deed toen niemand in Nederland. Je hele leven erop inrichten, risico nemen wat betreft je studie, schema’s maken.”

In hun analyse van de terugval komt het telkens terug: een topsporter moet zelf de regie in handen hebben. Florijn: „Als je nu aan een roeier vraagt waarom hij niet in een andere boot gaat varen, zegt ie: ‘ik weet niet wat de bond daarvan vindt’. Dat heb ik mij nog nooit afgevraagd, kon mij niets schelen.”

De perikelen rond de laatste Holland Acht, ooit het vlaggenschip, waren symptomatisch. Twee maanden voor Londen werd de coach, de Italiaan Antoni Maurogiovanni, opzijgeschoven na een reeks incidenten. En twee weken voor de Spelen wisselde de Acht de speciaal ontwikkelde ‘wonderboot’ voor een andere in. Rienks en Florijn zagen het vol ongeloof aan. „Dat zou ons niet gebeurd zijn”, zegt Rienks. „Dat had je twee jaar eerder moeten doen. Dat ze een nieuwe boot proberen begrijp ik nog – hij had sneller kunnen zijn. Maar je voelt binnen een uur dat een boot niet goed is. Zeg dat dan meteen. Durfden ze niet. Wij hadden tegen onze coach gezegd: sodemieter op met je boot, ga er zelf in roeien.”

Te hiërarchisch

Florijn ziet daarin een bewijs dat de huidige generatie te veel in een hiërarchisch systeem terecht is gekomen: de coach bepaalt, de roeier voert uit. „Je moet in een wedstrijd kunnen reageren op onverwachte dingen. Dat kan alleen maar met mensen die zelf durven beslissen.”

Nederland is de afgelopen jaren te veel de grote landen gaan kopiëren, zoals Duitsland en de VS, waar grote aantallen roeiers zich doorlopend moeten bewijzen. Maar dat creëert vooral onrust. Rienks: „We hebben buitenlandse coaches gehad. Die doen het toch anders, lieten de roeiers te weinig meedenken. Ze hadden het gevoel dat ze poppetjes waren waarover besloten werd. Ik zou me nooit laten dwingen. Nog steeds.”

Zelf vertrouwden ze op hun eigen koers. Waren hun eigen baas, schreven hun eigen trainingsschema’s, gingen zonder coach op trainingskamp. Rienks: „Nu heerst de waan van de dag. Roeiers willen zich altijd bewijzen. Ik deed in 1988 niet mee aan de NK skiff. Dacht: laat Ronald maar winnen. Ik hoefde niet in april maar in september goed te zijn.”

Misschien was het de tijdgeest: minder hectiek, minder haast, geen angst voor het verliezen van de financiële ondersteuning, want ze verdienden vrijwel niets. Florijn: „We kregen wat geld van de VU. Daarvan kochten we roeikleren, gewoon in een sportwinkel in Leiden.”

Het sportklimaat is nu jachtiger, toch proberen Rienks en Florijn de rust terug te brengen. Langzaam een paar boten opbouwen, vertrouwen geven, stabiliteit kweken. Niet constant roeiers afrekenen en omwisselen. Rienks: „Je kunt beter veel aandacht besteden aan medaillewaardige roeiers dan weinig aandacht aan veel roeiers. Zoveel potentiële toppers hebben we niet.”

Die rust was ook hun grootste wapen: Rienks en Florijn pareerden het Oost-Duitse geweld met een feilloze techniek. „Door een aantal puur technische verbeteringen schoven wij binnen een paar weken van de vijfde plaats van de wereld naar de eerste op”, zegt Rienks. „De boot op gang houden, niet elke haal rammen en knallen. We wonnen daar zo’n tien seconden mee. Niet omdat we zulke spierballen hadden.”

Rienks ziet dat krachtroeien nog terug bij zijn ‘eigen’ roeiteam, de dubbeltwee van Claudia Belderbos en Chantal Achterberg, die hij sinds een half jaar traint. „Dat powerroeien is ook overgenomen uit de grote roeilanden. Maar als je heel veel kracht zet, kan je boot alle kanten opgaan. Ik zeg nu: dames, probeer nou eens hard te roeien zonder dat ik zie dat je hard roeit. Dat is helemaal nieuw voor ze. Je moet rammen. ‘We moeten onszelf leegtrekken’, dat soort termen. Dames, hè?”

Maar Rienks herkent in Belderbos en Achterberg ook veel van zich zelf. „Die drive, dat monomane. Het kan ze niet schelen wat de rest van de wereld vindt. Daar moet de roeiwereld aan wennen.”

    • Rob Schoof
    • Nico Rienks
    • Ronald Florijn