Het Franse bordeelleven verbeeld

Oude Franse bordelen, maisons closes, blijven tot de verbeelding spreken, getuige boeken, strips en de tv-serie Maison close, ook in Nederland op dvd.

Nostalgischer kan seks niet worden. Jongedames in negligé verkeren in een rijk ingerichte salon van sofa’s en palmen met gefortuneerde heren. Wanneer er in de salon niet juist een orgie of een dinertje plaatsvindt, bestijgen de paren af en toe de monumentale trap. De geslachtsgemeenschap vindt boven plaats, in een van de eveneens weelderig ingerichte boudoirs. Voor de liefhebbers zijn er kijkgaatjes in de belendende vertrekken. We schrijven 1871, en we zijn in een van de legendarische bordelen van Parijs die – tot aan het wettelijk verbod in 1946 – over de hele wereld bekend stonden als maisons closes (gesloten huizen). Nimmer in de geschiedenis van de prostitutie was betaalde seks zo goed en ook zo stringent geregeld.

De Franse televisieserie Maison close, waarvan het eerste seizoen nu in Nederland op dvd is uitgekomen, is niet de enige cultuuruiting waarbij met weemoed wordt teruggekeken op deze instellingen. Er zijn fotoboeken over de somptueuze binnenhuisarchitectuur van de maisons closes, in Parijs luisterend naar namen als Le Chabanais, Le Sphinx, One Two Two of Les Pyramides. Er is een in zo’n bordeel spelende graphic novel, Dodo. Er is een eveneens in Nederland op dvd uitgebrachte speelfilm van Betrand Bonello, l’Apollonide.

Maar de televisieserie Maison close, die in 2010 begon en inmiddels twee succesvolle seizoenen kende op de betaalzender Canal+, is van deze vormen van populaire geschiedschrijving de slimste en interessantste. Niet alleen om de nostalgie en de seks – breed uitgemeten in de beste tradities van de Franse softporno. Maison close doet – profiterend van de eenheid van plaats die een bordeel van dit type biedt, met een inwonende vaste staf als in een meisjeskostschool – een poging tot sociale geschiedschrijving. Niet de mannelijke klanten, maar de vrouwen die er werken en wonen staan centraal.

Wat we weten over de maisons closes komt uitsluitend van mannen: politieverslagen, beleidsnota’s, romans. En de schilderijen van Toulouse-Lautrec natuurlijk, waarop je de prostituees in de salon van het bordeel ziet wachten op klanten. De vrouwen zelf hebben geen ervaringen op schrift gesteld.

Syfilis

De eerste pogingen om de prostitutie wettelijk te regelen dateren al uit 1802, maar vanaf de jaren 1830 wordt door de overheid de inrichting van de maisons closes actief bevorderd. De burgerlijke samenleving in opbouw heeft de neiging om steeds meer maatschappelijke verschijnselen die eerder volop zichtbaar waren – executies, gevangenen, gekken – te verstoppen in inrichtingen. Met de inrichting van maisons closes hoopt men hetzelfde te doen voor de alom tegenwoordige betaalde seks.

Geestelijk vader van dit beleid is een geleerde: Alexandre Parent du Châtelet (1790-1836). Zijn meesterwerk, vrucht van acht jaar veldonderzoek, verschijnt in 1836 postuum: De la prostitution dans la ville de Paris, vaak beschouwd als een van de eerste moderne sociologische studies. Parent du Châtelet was een zogenaamde ‘hygiënist’, die zich eerder had onderscheiden door studies over riolering en de verspreiding van syfilis, waartegen tot 1909 geen afdoende remedie bestond. Op grond van zijn eerdere werk zullen de door de geleerde bepleite gesloten bordelen nog lang schertsend ‘zaadriolen’ (égouts séminales) worden genoemd.

In het Parijs van 1830 is de prostitutie chaotisch en alomtegenwoordig: er wordt overal druk getippeld, in sommige wijken is raam- en caféprostitutie. Maar ook bij de verzamelplaatsen van de beau monde is soms heel moeilijk te onderscheiden wie er seks verkoopt en wie een eerzame dame is. Met name dat laatste ziet Parent du Châtelet als een bedreiging van de beschaving. Er dient zoveel mogelijk een fysieke scheiding te komen tussen de prostitutie en het burgerlijk leven.

Parent du Châtelet baseert zijn aanbevelingen op grondig onderzoek naar wie de prostituees zijn, waarom ze dit werk doen en hoe, en naar het gedrag en de achtergrond van de klanten. Hij concludeert dat verbieden geen zin heeft. Slechts een dunne bovenlaag in de samenleving heeft financieel de kans zijn seksuele behoeften vorm te geven in een burgerlijk huwelijk. De meeste mannen en vrouwen zijn – uit geldgebrek of omdat ze in fabrieken moeten werken of in een kazerne zitten – aangewezen op informele contacten, en dan komt de gedachte aan vergoeding al vlug om de hoek kijken. In het bijzonder geldt dat voor alleenstaande vrouwen – voor wie enigerlei vorm van prostitutie vrijwel de enige bescherming tegen de hongerdood is.

Loverboys

Midden negentiende eeuw zijn er in Parijs honderden maisons closes, particuliere ondernemingen, maar onder stringente controle van de overheid, die daarvoor een aparte zedenpolitie opricht. Er zijn maisons closes voor alle rangen en standen: van de bordelen voor soldaten of arbeiders waar de klanten op de gang voor hun beurt in de rij staan, en die maisons d’abattage (‘slachthuizen’) worden genoemd, tot chique gelegenheden als Le paradis in de televisieserie. Vergunninghouder is steeds een vrouw, de directrice dus, die maîtresse wordt genoemd. Mannen mogen in het bordeel niet wonen, ook niet als zij financier op de achtergrond zijn, of getrouwd met de maîtresse. Onder haar functioneren een of meerdere sousmaîtresses, die verantwoordelijk zijn voor het toelatingsbeleid aan de deur, het koppelen van klanten aan prostituees, en de organisatie van het huishouden. Dat laatste doen de bonnes (dienstmeisjes).

Maîtresses, sousmaîtresses en bonnes zijn niet zelden ex-prostituees. En vaak uit hetzelfde bordeel, dat een gesloten samenleving vormt. De prostituees slapen in een slaapzaal en eten gezamenlijk in de keuken, volgens wettelijk voorgeschreven normen. Meestal mogen ze maar één keer per week het huis verlaten – zedig uitgedost want het werven van klanten op straat is streng verboden. Slechts één klein lantaarntje onderscheidt het maison close van de gewone huizen in de straat.

Van weglopen is geen sprake, want de prostituees staan bij de maîtresse meestal zwaar in de schuld vanaf het moment dat zij, veelal als onschuldige meisjes uit de provincie, het bordeel zijn in gemanoeuvreerd door passeurs, een soort loverboys. Voor kleding, drank, sigaretten en andere genotmiddelen moeten de vrouwen betalen, zodat de schuld meestal niet wordt ingehaald door hun inkomsten. Ontsnapte schuldenaren worden door de zedenpolitie teruggebracht naar het maison close.

Slechts op twee manieren kunnen de vrouwen aan het bordeel ontkomen. Eentje waarvan elke prostituee droomt: dat een verliefde klant haar schuld zal afbetalen. En eentje die elke vrouw vreest: eens per maand komt in het maison close de dokter langs. Wie wordt betrapt op syfilis of een andere ziekte wordt door de politie in quarantaine geplaatst. In Parijs is in de gevangenis van Saint-Lazare een aparte afdeling ingericht voor de verpleging van zieke prostituees. Syfilis eindigt in de dood.

Maar ook menigeen die gezond blijft, wacht een weinig begerenswaardige toekomst. Wanneer er geen ruimte is voor nog meer bonnes of sousmaîtresses, wordt de ouder wordende prostituee vaak doorverkocht aan een inrichting van minder allooi. Menige luxehoer eindigt in een maison d’abattage.

Gedwongen overplaatsing wacht ook bij wangedrag tegen klanten of opstandigheid. Binnen het bordeel heerst strenge tucht, uitgeoefend door de maîtresse, die op haar beurt de hete adem van de zedenpolitie in de nek voelt. Het maison close moge dan een van de rest van de samenleving afgescheiden plaats zijn, het is zeker geen vrijplaats.

Onderworpenen

Zo verteld was het maison close zeker geen plek om nu nostalgisch over te worden. Maar misschien achtten de vrouwen in zo’n bordeel zichzelf wel bevoorrecht, oppert de Franse historicus Alain Corbin, schrijver van verreweg het beste boek over deze materie. De soumises (‘onderworpenen’), zoals ze werden genoemd, hadden immers een dak boven hun hoofd, het was warm, relatief veilig en ze kregen te eten. De straatprostituees, de insoumises, die tegen de bedoelingen van de overheid in altijd talrijk bleven, ontbeerden dat alles.

De laatste decennia van de negentiende eeuw kenmerken zich door grote maatschappelijke veranderingen in Frankrijk, die ook hun weerslag hebben op het denken over prostitutie. Er verschijnen opgewonden berichten in de kranten over grootscheepse handel in ‘blanke slavinnen’. Wetenschappers menen door middel van schedelmeting te kunnen aantonen, dat prostituees een aparte soort zijn. Socialisten en feministen verafschuwen de betaalde liefde als moderne slavernij en economische uitbuiting. Rechtse zedelijkheidsapostelen vrezen de ondergang van de Franse natie door de verspreiding van syfilis, of seksuele losbandigheid in het algemeen. Beide groepen zouden prostitutie natuurlijk het liefst verbieden, maar omdat dat nu eenmaal geen realistische mogelijkheid is, richten hun acties zich vooral tegen het best gereguleerde deel van de prostitutie, de maisons closes.

Dat vanaf 1860 hun aantal afneemt, heeft een andere reden: een verandering in de smaak van de klanten. De rationele ordening van het maison close wordt in toenemende mate als saai ervaren. Klanten geven de voorkeur aan prostitutie met de schijn van verleiding: de bistro of het cabaret waar het dienstertje wel even meewil naar een kamertje. Toch blijven de besloten bordelen bestaan, al worden het meer dure clubs, vaak met een specialisatie – groepsseks of sm bijvoorbeeld.

Het eind komt bij wet in 1946, naar aanleiding van een brede protestbeweging die werd aangevoerd door een Parijs gemeenteraadslid, de ex-prostituee Marthe Richard. Het verhaal gaat dat zij er persoonlijk op heeft toe gezien dat haar uit 1915 daterende registratiekaart werd vernietigd. Aan de plotselinge anti-stemming was niet vreemd dat tijdens de bezetting de beste bordelen voor Duitse officieren gereserveerd waren geweest.

Sindsdien is prostitutie in Frankrijk weer als overal elders ter wereld: half-legaal, onveilig, deels verborgen. Zullen de vrouwen die nu in het Bois de Boulogne kleumend op klanten wachten om in een auto af te werken, over 150 jaar ook aanleiding geven tot nostalgische films? Wie weet. Niets is veranderlijker dan het denken over de zeden.