Feest

Ze werkt op de afdeling Communicatie, de verwarde Cavia. Feuilleton over haar leven en lotgevallen.

De nicht van de verwarde cavia woonde in een uiterst kindvriendelijke buurt. „Kom langs!”, had ze door de telefoon geroepen. Cavia vermoedde dat het de bedoeling was dat ze mee zou helpen, en dat was ook zo. Toen ze ’s ochtends aankwam deed de man van haar nicht open. Hij riep meteen over zijn schouder: „Anne? Cavia is er, dan ga ik maar!” En tegen Cavia: „Aan u de eer en het genoegen.” Anne, haar nicht, was in alle staten. Ze gingen cupcakes verkopen, net als iedereen in de straat, en de jongste ging het Koningslied op de blokfluit spelen. „Zo leuk!”, riep ze. Cavia vond dat de kinderen er cynischer uitzagen dan je op grond van hun leeftijd zou verwachten. Ze hoorde de oudste tegen de jongste zeggen: „Als je met die blokfluit meer verdient dan wij, dan delen we het geld, goed?”

Tegen enen had Cavia de blokfluitversie van het Koningslied al een keer of vijftig gehoord, en zat ze nog met een hele doos cupcakes voor zich. De oudste kinderen waren elders spelletjes aan het doen, en Anne probeerde haar man te bereiken. „Wat is hij eigenlijk aan het doen?”, vroeg Cavia. „Er zijn vrienden van hem in de stad”, zei Anne vaag.

Om vier uur mocht Cavia van zichzelf naar huis. Er was geen kind meer te bekennen en Anne leek de wanhoop nabij, maar ook aan empathie zat een grens. Cavia rekende uit dat ze zes uur in een campingstoel had gehangen, in een straat vol rosé-moeders en kinderen met te lang haar. „Ik had ook lekker thuis voor de tv kunnen zitten”, dacht ze wrevelig.

Door de achtergelaten troep liep Cavia naar huis. Onderweg zag ze een boek op straat liggen met de titel Hoe verzorg ik mijn cavia. „Dat vraag ik me ook wel eens af”, dacht ze. Over straat woei een eenzame suikerspin.