En daarom verkoop ik mijn aandelen Shell!

Oliemaatschappijen brengen toch hun reserves op de markt, ondanks internationale afspraken over de beperking van CO2-uitstoot. Volgens Herman Philipse geeft een nieuw rapport reden tot de verkoop van aandelen.

Uherinnert zich vast nog wel dat de wereldleiders tijdens de VN-conferentie over klimaatverandering te Kopenhagen in 2009 het maar over één ding enigermate eens konden worden. De opwarming van de aarde moest worden beperkt tot gemiddeld 2 graden Celsius boven het pre-industriële niveau, anders zou de mensheid op middellange termijn te maken krijgen met talrijke dramatische en moeilijk te voorspellen catastrofen. De afspraak werd bindend gemaakt op de VN-klimaattop te Cancun in 2010, al is 2 graden temperatuurstijging volgens menig deskundige aan de hoge kant.

Deze doelstelling doet de volgende vraag rijzen. Hoeveel van de officieel genoteerde reserves kunnen oliemaatschappijen en andere producenten van fossiele brandstoffen op de markt brengen indien de wereldgemeenschap zich werkelijk wil houden aan de gemaakte afspraak? Op vrijdag 19 april publiceerde de non-profitorganisatie Carbon Tracker samen met het Grantham onderzoeksinstituut voor klimaatverandering van de London School of Economics en met Lord Nicholas Stern een interessant onderzoeksrapport over deze materie, onder de onheilspellende titel Unburnable Carbon 2013: Wasted Capital and Stranded Assets.

Kort gezegd komen de resultaten van dit onderzoek op het volgende neer. Zelfs wanneer we aannemen dat de uitstoot van andere broeikasgassen dan koolstofdioxide (CO2) sterk wordt verminderd, kan de doelstelling alleen gehaald worden (met 80 procent kans) indien tussen nu en 2050 hoogstens 900 miljard ton (Gt) aan CO2 wordt uitgestoten. Wanneer we er echter van uitgaan dat de aardolie, steenkool, en aardgas producerende bedrijven de officieel aangegeven reserves aan fossiele brandstoffen op de markt brengen, dan zullen de emissies van CO2 tot 2050 veel meer bedragen, namelijk 2860 Gt. Bijgevolg zou het onverantwoord zijn tussen nu en 2050 meer dan zo’n 25-30 procent van de officieel aangegeven reserves aan fossiele brandstoffen te benutten. Omdat CO2 zich deels ophoopt in de atmosfeer, resteert er voor de halve eeuw tussen 2050 en 2100 zelfs dan nog maar een ruimte voor 75 Gt uitstoot, dat wil zeggen iets meer dan de hoeveelheid CO2 die de mensheid nu in twee jaar produceert. De verwachte ontwikkeling van CO2 afvangst en opslag maakt volgens het rapport te weinig verschil: er zal ruimte ontstaan voor ongeveer 4 procent extra productie van CO2. Kortom, het zou volstrekt onverantwoord zijn indien de producenten van fossiele energie de officieel aangegeven reserves werkelijk op de markt zouden brengen.

Nu berusten de aandelenkoersen van energieproducenten, zoals Shell, ExxonMobil of Total, er evenwel op dat zij de officiële reserves wél zullen produceren. Kennelijk gaan de aandelenmarkten uit van het cynische scenario dat de wereldgemeenschap zich niet aan haar afspraak zal houden. Men zal menen: dit cynische scenario is realistisch, omdat de belangrijkste landen zoals de VS nauwelijks iets hebben gedaan om de beperking van de opwarming der aarde tot 2 graden Celsius de realiseren. Ook de Nederlandse regering laat het in deze afweten.

In plaats van hun productie te beperken, hebben de 200 grootste energieproducenten in 2012 zo’n 674 miljard dollar besteed aan het vinden en exploiteren van nieuwe voorraden fossiele brandstoffen, hetgeen equivalent is aan 1 procent van het wereldwijde bruto nationaal product. Ironischerwijze was dit ook ongeveer het bedrag dat volgens de conclusies van het Stern-rapport uit 2006 per jaar voldoende zou zijn om te betalen voor de overgang naar een schonere, duurzame economie.

Tegen deze achtergrond staan pensioenfondsen en andere beleggers zowel voor een ethisch als voor een strategisch probleem. Is het nog wel moreel verantwoord te beleggen in aardolie, (schalie)gas, of met name steenkool wanneer men weet dat de producenten streven naar een productieniveau dat het aardse klimaat ernstig zal verstoren? Er is al vaak op gewezen dat energiebedrijven bijvoorbeeld in de Verenigde Staten veel geld uitgeven om (met succes) te lobbyen tegen wetgeving over klimaatverandering.

Het strategische probleem voor de belegger is iets ingewikkelder. Energiebedrijven investeren een groot deel van hun winst in onderzoek naar, en exploitatie van, nieuwe reserves van aardolie, gas, en steenkool. Stel echter dat de wereldgemeenschap er werkelijk naar gaat streven de opwarming van de aarde te beperken tot 2 graden Celsius, hetgeen spoedig moet gebeuren wil de mensheid geen onaanvaardbare risico’s lopen. Dan is dit gebruikelijke bedrijfsmodel van energieproducenten onhoudbaar en lopen degenen die in deze ondernemingen investeren grote financiële risico’s. Dit betekent dat men bij het inschatten van de relevante beleggingsrisico’s niet zomaar kan uitgaan van business as usual. Een klemmend probleem indien we de dekkingsgraad der pensioenfondsen willen handhaven!

Het Stern-rapport bevat dringende adviezen aan regeringen, ministers van financiën, toezichthouders op de financiële markten, pensioenfondsen en allerlei andere spelers. Maar ook de individuele belegger kan het tot nadenken stemmen. Heel wat lezers zullen bijvoorbeeld belegd hebben in aandelen Koninklijke Olie, al was het maar omdat het dividend momenteel hoger is dan de rente op een spaarrekening. Na enige reflectie over zowel het morele als het strategische probleem heb ik afgelopen week mijn aandelen in Royal Dutch Shell verkocht. Gaat u hetzelfde doen, of vergis ik me ergens in?

Prof. dr. mr. Herman Philipse is Distinguished Professor in de wijsbegeerte aan de Universiteit Utrecht