Blockbuster voor Zwolle en Enschede

Door de samenwerking te zoeken met Tate Britain kunnen de Fundatie en Rijksmuseum Twenthe stunten met een expositie over de grote Turner.

„Zonder Tate geen Turner”, zegt Ralph Keuning. Simpeler kan de directeur van Museum de Fundatie in Zwolle het niet uitdrukken. Als je een tentoonstelling over de Britse meester William Turner (1775-1881) wilt organiseren, heb je de hulp van het museum in Londen nodig. Tate Britain heeft het beheer van de nalatenschap van de schilder, die bestaat uit ruim 300 olieverfschilderijen en duizenden werken op papier.

Twee musea uit het oosten van Nederland is het gelukt. Omdat Tate medewerking heeft toegezegd durven Keuning en zijn collega uit Enschede Arnoud Odding over hun plannen te vertellen om in 2015 een grote Turnertentoonstelling te organiseren. De eerste sinds 1947.

Het enige schilderij van Turner is in bezit van de Fundatie. Tate geeft werken in bruikleen en zal assisteren om werken uit andere collecties los te weken. In de tentoonstelling gaan de twee musea werken van Turner koppelen aan werken van voorgangers als Rembrandt of Claude Lorrain en van kunstenaars na hem tot Anselm Kiefer en Gerhard Richter uit deze tijd. „Daarbij gaat het er niet om wie precies Turner beïnvloed heeft of wie zegt beïnvloed te zijn door Turner. We brengen Turner als scharnierpunt in de Europese kunstgeschiedenis”, zegt Odding.

De tentoonstelling is niet alleen bijzonder door het onderwerp. Ook is het uniek dat twee Nederlandse musea samenwerken bij een tentoonstelling, die tegelijkertijd in de twee musea wordt getoond. Opvallend omdat juist dit jaar door overheid, Raad voor Cultuur en Nederlandse Museumvereniging wordt aangedrongen op meer samenwerking tussen musea.

De eerste plannen voor een internationaal spraakmakende tentoonstelling maakten de Fundatie en Rijksmuseum Twenthe in 2010. Tot vorig najaar bleven ze liggen. Toen was Odding erin geslaagd om Rijksmuseum Twente voor sluiting te behoeden. Begin januari reisde hij met zijn conservator naar Londen om de temperatuur te meten. In april ging hij samen met Keuning, die eerder te druk was met de verbouwing van zijn museum dat 31 mei opengaat.

Was het lastig om Tate Britain te overtuigen?

Odding: „Tate Britain had al ervaring met ons. Wij hebben voor de tentoonstelling Ladies and Gentlemen, portretten uit de 18e eeuw bruiklenen van ze gekregen, zij hebben werken uit onze hedendaagse collectie geleend.”

Keuning: „Ons concept wijkt sterk af van wat Tate zelf heeft gedaan. Zij hebben wel tentoonstellingen gemaakt met schilders door wie Turner zich heeft laten inspireren zoals Hollandse meesters, en ook met kunstenaars die zich door Turner hebben laten inspireren. Maar dat is allemaal kunsthistorisch, wij gaan vrijer associëren. Toen we ons concept hadden voorgelegd, zeiden ze: ‘Wacht, vanmiddag hebben we stafoverleg en dan bespreken we het. Morgen hoor je van ons.’ De volgende dag was het rond. Heel bijzonder. Wij zijn toch twee musea ver verwijderd van het hoofdstedelijke in Nederland als je het bekijkt vanuit Londens perspectief.”

Odding: „Er is een derde reden. Tate heeft zes schetsboeken die Turner maakte tijdens zijn reizen door Nederland. Daar wilden ze al langer onderzoek naar doen en dat pakken wij nu voor ze op, samen met de Universiteit van Utrecht. Die schetsboeken koppelen we in de tentoonstelling aan reisschetsen van andere Europese kunstenaars, van Albrecht Dürer tot David Hockney.”

Krijgt Turner in Nederland voldoende waardering?

Keuning: „Er is in Nederland een onderschatting van de periode van de Romantiek en De Verlichting eind 18de en begin 19de eeuw en dus van schilders als Caspar David Friedrich of Turner. Hun zware gemoedstoestanden passen blijkbaar niet goed in Nederland.”

Odding: „Wij torsen soms de last van de Gouden Eeuw. De 150 jaar daarna worden nog al eens vergeten. In Groot-Brittannië en Duitsland wordt die periode meer op waarde geschat. Dat komt ook omdat die in hun geschiedenis veel belangrijker is. Er gaan daardoor veel mooie dingen aan Nederland voorbij. Dat moet worden rechtgezet.”

Keuning: „Zie het zo: In Nederland gaan we nog twee jaar genieten van de Nachtwacht en dan komt Turner.”

Hoe verdeelt u één expositie over twee musea?

Odding: „Turner was een rijk schilder. We hebben veel thema’s onderscheiden als ‘drama’, ‘idylle’, ‘snelheid’, ‘licht’, ‘geweld’ en ‘chaos’. Daardoor kun je twee tentoonstellingen maken die op zichzelf te zien zijn maar elkaar ook aanvullen. We gaan dat eerst uitwerken.

Keuning: „Je moet nooit met die verdeling beginnen. Dan ga je direct strijden om de topwerken en kom je er nooit meer uit.”

Is de financiering al rond?

Keuning: „Dat nog niet. Maar als we ons daar zorgen over maken, zouden we nu niet over deze plannen vertellen.”