‘Als het orkaanseizoen begint, stijgt de olieprijs vast weer’

De olieprijs daalt maar door. Zijn het normale marktschommelingen of is er meer aan de hand? „Je ziet ze als lemmingen een kant op rennen.”

Aan de pomp lijkt de benzineprijs altijd te stijgen. Omhoog gaat het met sprongen, naar beneden in nauwelijks waarneembare stapjes. Daarom valt het minder op dat de prijs van ruwe olie alweer enige tijd aan het zakken is.

Sinds begin dit jaar is de prijs van Brent-olie, de internationale benchmark, met ongeveer 20 procent gedaald en schommelt de prijs per vat rond de 100 dollar. Aan de vooravond van de kredietcrisis was dat nog 150 dollar. Sindsdien jojoot de prijs.

Zijn het de normale bewegingen van de oliemarkt of is er meer aan de hand? De meningen verschillen.

Niks bijzonders, zegt Tom Muller, analist bij vermogensbeheerder Theodoor Gillissen. Wereldwijd blijven de economische vooruitzichten immers onzeker. De verwachte economische groei in China blijft uit. In de Verenigde Staten is het beeld niet veel anders. De huizenmarkt toont tekenen van leven maar de industrie blijft kwakkelen. En ook de eurozone biedt een somber beeld met een recordwerkloosheid en een teruggelopen de Duitse detailhandel.

De vraag neemt af en dus verkopen de grote olieproducenten minder. ExxonMobil, Chevron, BP en Shell maakten in het eerste kwartaal minder winst dan een jaar eerder.

Maar Muller verwacht dat de prijs weer zal stijgen zodra de voorraden in de opslagtanks slinken of de Chinese groei aantrekt. „En als dan ook nog het orkaanseizoen aanbreekt in de Golf van Mexico, gaat de prijs zo weer omhoog.” Hij noemt de lagere prijs een tijdelijk verschijnsel.

Muller wijst erop dat deze fluctuaties versterkt worden door de enorme hoeveelheden geld die sinds de kredietcrisis van 2008 rondzwerven op zoek naar een lucratieve bestemming. Hij stelt vast dat er grote posities worden ingenomen in futures, op basis dus van verwachtingen in plaats van economische realiteit. Dat geldt voor olie, maar ook voor andere grondstoffen, zoals koper en goud. „Je ziet iedereen als lemmingen één kant op rennen en dan weer in de tegenovergestelde richting.”

Het eerste kwartaal geeft mindere resultaten, maar dat kunnen de grote oliebedrijven volgens Muller best hebben. Zolang een bedrijf als Shell ieder kwartaal nog miljarden dollars kan investeren om toekomstige productie te garanderen is er geen reden tot zorg. „Volume geeft de doorslag”, aldus Muller.

Maar Christopher Swann van Reuters Breakingviews denkt dat er meer aan de hand is. Onlangs citeerde hij in deze krant uit een rapport van Citigroup dat stelt dat de prijs van olie voorlopig helemaal niet zal stijgen maar op een niveau van rond de 100 dollar zal blijven.

Volgens Swann is er sprake van een wezenlijke verandering. Door de ontwikkeling van schalie-olie in de Verenigde Staten groeit het aanbod van olie dit jaar sterker dan de vraag. Daarnaast neemt de vraag af door energiebesparingen. En als derde punt noemt Swann de toenemende tendens om olie te vervangen door goedkoop aardgas als transportbrandstof. Op de oliemarkt zijn de verhoudingen aan het veranderen.

Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw is de OPEC bepalend geweest voor de olieprijs. Was de prijs te laag, dan schroefden de olieproducerende landen de productie terug.

Ook nu zou dat logisch zijn. Ware het niet dat de Verenigde Staten, traditioneel olie-importeur, door de schalierevolutie ineens zelf een ruime olievoorraad hebben. Venezuela, Nigeria en het door sancties geplaagde Iran kunnen zich geen beperkingen veroorloven. Eind mei komen de landen van de OPEC bijeen voor hun halfjaarlijks overleg. Dan zal blijken of Saoedi-Arabië alleen het evenwicht kan herstellen, of dat de veranderingen in de oliemarkt andere, nieuwe antwoorden vergen ook van de olieproducerende landen.