Zo hopeloos dat je blij bent dat het een werkt beetje

Kankeronderzoek // Kankerstudies zijn te versnipperd, blijkt uit onderzoek Studies naar geneesmiddelen bij andere ziekten zijn veel beter onderbouwd Dat maakt het voor artsen lastig medicijnen te kiezen

Klinische onderzoeken naar nieuwe geneesmiddelen tegen kanker zijn vaak te klein van opzet. Daardoor wordt het lastig door de bomen het bos nog te zien. Dat schrijven Amerikaanse onderzoekers verbonden aan Duke University die bijna 9.000 recente oncologische studies onder de loep namen. Hun artikel verscheen gisteren in het medisch wetenschappelijke tijdschrift JAMA Internal Medicine.

Oncoloog Bradford Hirsch en zijn medewerkers bekeken alle onderzoeken naar kankergeneesmiddelen die in de periode 2007 tot en met 2010 waren geregistreerd in de databank ClinicalTrials.gov. Ze constateerden dat de meeste onderzoeken ‘veel minder robuust’ waren dan geneesmiddelenonderzoeken in andere takken van geneeskunde.

Nieuwe middelen in de oncologie blijken in bijna tweederde van de studies niet te worden vergeleken met andere middelen of placebo’s (tegenover minder dan een kwart van andere medicijnstudies). Dubbelblinde studies (waarbij zowel arts als patiënt niet weten welk middel in het spel is) zijn in de oncologie een zeldzaamheid (minder dan 10 procent). Ook werden deze studies uitgevoerd met gemiddeld een kleiner aantal patiënten (51 tegen 72).

Al die factoren bij elkaar leiden ertoe dat de resultaten van studies naar kankermedicijnen statistisch minder goed onderbouwd zijn. Daarnaast ontbreekt een breder verband, waarin de afzonderlijke studies in samenhang bekeken zouden kunnen worden. In alle onderzochte studies vonden Hirsch en zijn medewerkers wel 25.000 verschillende bevindingen die slechts een of twee keer voorkwamen. Dit laat zien hoe moeilijk het is verschillende onderzoeken samen te nemen om tot betrouwbare conclusies te komen.

Volgens hoogleraar klinische farmacologie Jan Schellens van de Universiteit Utrecht en het Nederlands Kanker Instituut in Amsterdam laat de nieuwe studie zien dat het accent van geneesmiddelenonderzoek binnen de oncologie op vroeg klinisch onderzoek ligt. „Veel middelen stoppen tijdens de ontwikkeling omdat blijkt dat de voordelen ervan niet opwegen tegen de nadelen.”

Nu de kosten van de gezondheidszorg de pan uitrijzen, moeten we ons er wel van vergewissen dat juist het onderzoek gedaan wordt dat klinische vragen adequaat beantwoordt, schrijven Hirsch en zijn collega’s in hun artikel. Dat er zo veel kleine en minimaal opgezette studies zijn in de oncologie komt volgens hen doordat de lat lager is komen te liggen toen in 1992 een wet werd ingevoerd die regelde dat middelen die zich richten op direct levensbedreigende ziekten sneller kunnen worden toegelaten. Hoewel er voor zo’n versnelde toelating veel te zeggen is, levert deze praktijk te weinig algemeen begrip van kanker op, waardoor patiënten, artsen, en regelgevende organisaties niet de juiste beslissingen kunnen nemen. Het is bijvoorbeeld nauwelijks mogelijk verschillende nieuwe middelen met elkaar te vergelijken, of zelfs maar om deze af te zetten tegen de voor- en nadelen van bestaande therapieën.

Schellens bevestigt dat het overzicht door de grote hoeveelheid experimentele middelen makkelijk zoekraakt. „Maar”, zegt hij, „de mate van hopeloosheid bij kankerpatiënten is soms zo hoog dat ze al blij zijn met iets wat een beetje werkt.” Schellens denkt niet dat daar op korte termijn verandering in komt. Het zal eerder ingewikkelder worden, zegt hij. „Door verbeterde diagnostiek kunnen we nu bijvoorbeeld longkanker opdelen in circa veertig typen. Het zal niet makkelijk zijn voldoende patiënten te krijgen met precies hetzelfde type longkanker. Daarom zullen de studies noodgedwongen klein blijven.”