Vrienden met je toekomstige zelf worden

Waarom maken we keuzes waar we later spijt van hebben terwijl we weten wat goed voor ons is, vraagt Pepijn Vloemans zich af.

Heb ik volgend jaar nog werk? Wat zal ik vanavond eten? Zal mijn geliefde me blijven begeren als ik kaal word? Een groot deel van de dag leven we niet in het heden, maar in de toekomst. We verheugen ons op een vakantie, of maken ons zorgen over de gevolgen van de economische crisis. Anticiperen op de toekomst is een unieke eigenschap in het dierenrijk: de meest verziende apen kijken maximaal twintig minuten vooruit.

Talent hebben voor dagdromen of je zorgen maken is één ding, wat we ermee doen is een tweede. Tot actie overgaan op basis van dromen of zorgen kost moeite. In Portnoy’s Complaint omschrijft Philip Roth zijn neurotische vader – en daarmee eigenlijk ons allemaal – als iemand ‘die dagelijks een bepaald zorgenquotum moest halen’. De meeste mensen maken beslissingen die vandaag comfortabel zijn maar lijnrecht ingaan tegen hun belangen op de lange termijn: uitstellen van werk, roken, drinken, ongezond eten en weinig bewegen. Opgeruimd, productief, gezond en slank door het leven gaan is het glanzende ideaal dat we geregeld offeren op het altaar van het heden. Waarom maken we keuzes waar we later spijt van hebben terwijl we weten wat goed voor ons is?

Simpel gezegd: omdat het heden ons meer ‘waard’ is. We prijzen de waarde van de toekomst af. Dat lijkt een biologisch fenomeen: de psycholoog George Ainslie toonde in 1974 aan dat duiven kiezen voor onmiddellijk een beetje eten in plaats van niet veel later een grotere portie. Beter een vogel in de hand dan tien in de lucht. Met een visuele metafoor kunnen we spreken van bijziendheid. Het ‘nu’ onttrekt het ‘later’ uit het zicht, zoals een klein café het zicht op een hoger en verder gelegen doel – bijvoorbeeld het voltooien van een studie, lopen van een marathon of het schrijven van een scriptie – belemmert. Als het café nog een eindje gaans is, hebben we het berglandschap nog goed in het vizier. Maar zodra we met onze neus voor het café staan, is het beloftevolle berglandschap aan het zicht onttrokken. Het heden is warm, er branden kaarsjes en het is er gezellig – de bergen van ‘later’ zijn koel, rationeel en cerebraal. Maar de volgende dag balen we wel dat we ons hebben laten afleiden van het verder gelegen doel. „Er is geen eigenschap in de menselijke natuur die fataler is voor ons gedrag dan die welke de voorkeur geeft aan dat wat dichtbij is boven het verre en afgelegene”, wist de filosoof David Hume ons bijna 300 jaar geleden al te vertellen.

Het emotioneel waarderen van het nu heeft ons goed gediend toen levens kort waren en door geweld, ziekte, of honger iedere dag je laatste kon zijn. Maar in deze maatschappij waarin overvloed en levenszekerheid de norm zijn, is het slim om aan de toekomst meer waarde toe te kennen. Zelfbeheersing is de sleutel tot succes in een maatschappij waar afleiding en goedkoop genot voor iedereen beschikbaar is. Uit langlopend onderzoek van de Nieuw-Zeelandse psychologen Terrie Moffitt en Avshalom Caspi blijkt dat peuters met weinig zelfbeheersing als volwassenen meer kans hebben op overgewicht, hoge bloeddruk, minder succesvolle huwelijken hebben, vaker verslaafd zijn, minder geld hebben en vaker crimineel gedrag vertonen. De peuters met zelfbeheersing groeiden juist op als meer tevreden, gelukkige en gezonde mensen. Het loont om beter bevriend te raken met ons toekomstige zelf.

Bijziendheid

Niet alleen individuen, maar ook maatschappijen hebben baat bij collectieve remedies tegen onze natuurlijke bijziendheid. Eind 19de eeuw werd de leerplicht ingesteld als antwoord op bijziende ouders die hun kinderen als economische bron gebruikten. Pensioenen werden na de Tweede Wereldoorlog het collectieve antwoord op de bijziendheid van de burger als het gaat om sparen voor de oude dag. Sindsdien zijn andere collectieve mechanismen ontstaan om roken te weerstaan: door het verbod op roken in publieke gelegenheden, het verbieden van reclame en het verhogen van de accijns op tabak worden individuen geholpen weerstand te bieden aan de krachtige bijziendheid die nicotine teweegbrengt.

Ondertussen doemt er weer een nieuwe, angstaanjagende consequentie van bijziendheid op. De donkere wolk die zich boven de mensheid samenpakt heet klimaatverandering. Wetenschappers – getraind in die unieke eigenschap van de mens, het vooruitkijken – zijn het er in overweldigende meerderheid over eens dat de aarde opwarmt door menselijk toedoen. Het lijkt mij zinvol deze waarschuwing serieus te nemen en er naar te handelen – ook als het minder rampzalig blijkt dan voorspeld is, hebben we door te handelen toch het juiste gedaan. Waarom doen we dan in de praktijk bijna niets? Het antwoord weten we nu: omdat we emotioneel bijziend zijn. Het verschil tussen wat we weten en hoe we ons daarbij voelen is cruciaal. De wetenschap kan ons nog zo waarschuwen, maar zo lang we geen urgentie voelen doen we niets. We zijn als alcoholisten die iedere ochtend wakker worden en de drank afzweren, maar rond de middag weer naar de fles grijpen.

Wat zou een geschikte maatregel zijn om de waarschuwing voor klimaatverandering kracht bij te zetten? Hoe vertalen we de cerebrale taal van de wetenschap naar tastbare emoties in het heden? Een optie is geloof. In Nederland moest er weliswaar een watersnoodramp aan te pas komen, maar sindsdien geloven we in het nut van de Deltawerken. We betalen fors voor het onderhoud hoewel ze ‘ergens in de toekomst’ eventueel een nieuw springtij tegenhouden. Een vage dreiging eigenlijk, maar we geloven heilig in het nut van dijken. Geen politicus die durft te beweren dat een toekomstig springtij „ook maar gewoon een mening is”.

Groene religie

Begin januari publiceerde Trouw het artikel ‘Heilige plicht. Een kleine catechismus van het groene geloof’. De stelling van de auteurs was dat de duurzame beweging trekjes heeft van een geloof. Het was bedoeld als provocatie, maar in het licht van menselijke bijziendheid lijkt een bepaald soort duurzaam geloof me zo slecht nog niet. Voordat we collectieve maatregelen kunnen nemen om klimaatverandering tegen te gaan, hebben we een emotioneel zetje nodig. Met zeespiegelstijging, stormen en bosbranden als ouderwetse apocalyps, CO2-certificaten als aflaten voor onze zondige vliegreizen en schitterende doomsday-films als memorabele bijbelverhalen.

Waar het de duurzame beweging aan ontbreekt, zijn niet de feiten, maar de levendige emoties die kunnen wedijveren met onze bijziendheid. Geloof het of niet, maar door een groene religie zouden we de toekomst een stuk scherper zien.