Van lefgozertje tot terrorist van de deugd

Les Chevaux de Dieu. Regie: Nabil Ayouch. Met: Abdelhakim Rachi, Abdelilah Rachid, Hamza Souidek. ****

In Les Chevaux de Dieu wervelt de camera uit de hemel de sloppenwijk Sidi Moumem bij Casablanca binnen, over golfplaten daken, naar een stoffig veldje waar Marokkaanse straatschoffies een potje voetbal spelen dat in knokken eindigt. En dan wegrennen.

Een beetje anders dan die kip op de vlucht voor een barbecue waarmee de film Cidade de Deus in 2003 aanving. Toch doet Les Chevaux de Dieu denken aan die Braziliaanse klassieker over wat cocaïne aanrichtte in de favela. Dat zit hem ook niet zozeer in de God van de titel of de sloppenwijk als onderwerp, maar in de dynamische vertelling, intiem en historisch tegelijk, sociologisch en episch in de beste zin van het woord.

We ontmoeten de broers Hamid en Yachine, twee adolescenten die hangen, sjacheren, blowen, stoer doen. Lefgozertje Hamid is een straatgangstertje, Yachine mag onder zijn bescherming braaf sinaasappels verkopen. Een derde broer is autistisch, vader catatonisch.

Vraag is hoe dit soort jongens zichzelf op 16 mei 2003 kunnen opblazen in een door Al-Qaeda georkestreerde golf aanslagen op joodse doelen en een Spaans restaurant in Casablanca, waarbij 33 doden vielen. Als lid van de elite was regisseur Nabil Ayouch indertijd diep geschokt, vertelde hij in een interview. Dit kon toch niet gebeuren in het ruimdenkende, multiculturele Marokko waarin hij dacht te wonen? Hij kreeg het nare gevoel dat hij zijn eigen land niet begreep, en zeker niet de sloppenwijk Sidi Moumem.

Ayouch toont die sociale vervreemding als de toekomstige martelaars het rijke deel van Casablanca binnenrijden. Ze zijn verbaasd en een beetje verontwaardigd over de luxe: hier kunnen toch alleen buitenlanders en profiteurs wonen. We hebben dan al gezien hoe armoede uitzichtloosheid, zelfhaat en seksuele frustratie kweekt: trouwen zit er voor de jongens niet in, dus verkracht men terloops het pispaaltje van de groep. Zoals de garagehouder van wie ze voor een hongerloontje sloven, ook meent dat hij het recht op verkrachting heeft.

In die context van onderdrukking, misbruik, wanhoop en zelfhaat is 11 september 2001 een shot adrenaline. We zien ze in het theehuis muisstil toekijken hoe de Twin Towers instorten, die trotse fallussymbolen van Amerikaanse almacht. Dat biedt pervers genoeg uitzicht op een waardig, zelfs heroïsch bestaan. De achterbuurt herontdekt de islam. Meisjes dragen opeens hoofddoekjes, blijven binnen en zien af van wereldse ambities. Gangsters bekeren zich, maar zijn als sekte veel gevaarlijker dan als misdaadbende, zeker onder imam Abou Zoubeir, die tijdens de kungfulessen listig speurt naar potentiële ‘paarden van God die de deugd verdedigen tot de wederopstanding’.

Ayouch filmt het traject van voetbal tot bomgordel dwingend, zonder dat het geforceerd of didactisch wordt. De door amateurs gespeelde personages zijn mensen, geen types om een historisch proces te illustreren. De bronnen waaruit Al-Qaeda kan putten, staan nog lang niet droog.

Eén factor geeft volgens Nabil Ayouch desgevraagd de doorslag: falend vaderlijk gezag. „In de patriarchale Marokkaanse cultuur is de vader extreem belangrijk.” Aan mislukte vaders is nooit gebrek.