Tussen de lijken liggen labels

Bij een brand in een kledingfabriek in Bangladesh kwamen minstens 385 mensen om. Het gevolg van onze veel te goedkope kleding.

Rescue workers rescue a garment worker from the rubble of the collapsed Rana Plaza building, in Savar, 30 km (19 miles) outside Dhaka April 27, 2013. Two factory bosses and two engineers were arrested in Bangladesh on Saturday, 72 hours after the collapse of a building where low-cost garments were made for Western brands, as the death toll rose to 340 but many were still being found alive. REUTERS/Stringer (BANGLADESH - Tags: DISASTER TPX IMAGES OF THE DAY) REUTERS

Een meisje smeekte reddingswerkers bij het Rana Plazagebouw haar hand af te zetten. De hand zat bekneld onder een stuk beton. Het meisje was een van de naar schatting drieduizend aanwezigen in het acht verdiepingen tellende gebouw dat vorige week is ingestort in de buurt van Dhaka, de hoofdstad van Bangladesh. In het gebouw waren drie kledingfabrieken, een bank en een winkelcentrum gevestigd. Het dodental is inmiddels opgelopen tot 385 en onder de puinhopen liggen mogelijk nog honderden gewonden of doden. Verreweg de meeste slachtoffers, zo’n 80 procent, zijn vrouwen tussen de achttien en twintig. Tussen de lijken en het puin zijn labels van Mango en Primark gevonden, zeggen lokale partners van de Clean Clothes Campaign, die zich hard maakt voor betere arbeidsomstandigheden in de kledingindustrie. De ramp is een van de grootste in zijn soort uit de geschiedenis van Bangladesh.

Een ramp als deze is ook exemplarisch voor de stand van de kledingindustrie in het land, dat voor 80 procent van haar export afhankelijk is van de kledingindustrie. De druk om goedkoop kleding te produceren, neemt toe. Kledingmerken hebben het moeilijk als gevolg van de crisis. Buitenlandse afnemers – 56 procent van de Bengaalse productie is bestemd voor Europa – voeren de druk op marges op. „Een T-shirt dat drie jaar gelden nog voor 5 dollar werd verkocht, brengt nu maar 3,5 tot 4 dollar op”, klaagde een grote exporteur onlangs in de Bengaalse krant The Daily Star. Die druk leidt tot slechtere arbeidsomstandigheden, zei de voorzitter van de Bengaalse Garment Manufacturers and Exporters Association in stuk.

Denk je textielindustrie, dan denk je al snel aan kinderarbeid en sweatshops. In geen ander land is de situatie zo nijpend als in Bangladesh. Sinds 2006 zijn al 700 arbeiders omgekomen in 250 fabrieksbranden. Op dezelfde moerasgrond als de Rana Plazafabriek stortte in 2005 de Spectrumfabriek in, 64 arbeiders kwamen om.

De ongelukken zijn een direct gevolg van de enorme groei van de kledingindustrie de laatste jaren in Bangladesh, zegt Niki Janssen van de Clean Clothes Campaign. „Er zijn van de ene op de andere dag fabrieken uit de grond gestampt, die niet aan de veiligheidseisen voldoen. Kabels hangen los, regelmatig worden er illegaal verdiepingen bijgebouwd. Er zijn wel veiligheidsvoorschriften, maar die worden keihard genegeerd. Vluchtwegen zijn geblokkeerd, soms zit er tralies voor de ramen waardoor mensen letterlijk gevangen zitten bij een fabrieksbrand.”

Het zeer lage minimumloon van 28 euro per maand maakt Bangladesh bij uitstek ‘geschikt’ voor de massaproductie van goedkope retailers als Primark, Zara, Mango en H&M. Ter vergelijking: in Cambodja, waar arbeiders soms flauwvallen van de honger, is het minimumloon 64 euro per maand. Kledingmerken vertonen sprinkhaangedrag: ze verplaatsen zich steeds naar het goedkoopste productieland.

In China waar tien jaar geleden nog veel meer kleding voor de export werd geproduceerd, is het minimumloon gestegen tot 101 euro per maand.

Tweede grote probleem is corruptie en falend toezicht, blijkt uit het rapport Fatal Fashion dat onderzoeksbureau SOMO afgelopen maart publiceerde. Overheden willen niet ingrijpen uit angst hun concurrentiepositie ten opzichte van ander landen te verzwakken, zegt Janssen. „En er wordt ook veel uitbesteed. Een fabriek wil graag die order hebben, maar heeft zelf onvoldoende capaciteit om het binnen de gevraagde tijd te doen. Dus wordt een deel van de productie uitbesteed of worden kledingstukken voor specifieke taken, zoals het aannaaien van een knoopje, naar een kleinere fabriek gestuurd. Die kleinere fabriekjes onttrekken zich aan iedere vorm van toezicht.”

De situatie zal alleen veranderen als kledingmerken zelf aandringen op betere omstandigheden en inspectie, zegt Janssen. In Rana Plaza werd kleding geproduceerd voor onder meer Walmart. Primark bevestigt dat de fabriek ook hun kleding maakte, Mango ontkent. Voor C&A produceerde de fabriek eerder ook, maar dat liet weten sinds 2011 „geen contractuele relaties” meer te hebben. Janssen: „Als er made in Bangladesh op je kaartje staat is er een dikke kans dat je kleding niet echt lekker gemaakt is. En dat is een understatement. Als consument kan je het merk vragen wat ze op het gebied van duurzaamheid doen. Stoppen met het kopen van kleding uit Bangladesh is niet de oplossing. Maar laat als klant horen dat je het belangrijk vindt dat de mensen in een veilige omgeving werken.”