Neem jihadisten serieus, hun aantal blijft groeien

Steeds meer radicale moslimjongeren worden maar al te graag jihadstrijder in Syrië of Irak, waarschuwt Ibrahim Wijbenga.

De laatste boodschap van een naar Syrië afgereisde, Nederlands-autochtone jihadist aan zijn naaste familie is illustratief voor de naar schatting 120 Nederlandse jihadisten die daar strijden: „Hij volgt de weg van de Salaf (een van de eerste moslims red.) voor wie de jihad ook een heilige plicht was. Hij maakt die keuze uit liefde voor Allah en omdat hij het lijdende soennitische volk wil bijstaan. En als hij in Syrië is, zal hij zich niet aansluiten bij het Vrije Syrische Leger, of bij de Koerden, maar bij Jabhat Al-Nustra omdat alleen zij strijden voor de invoering van de sharia. Al-Hollandi heeft zijn moeder innig omhelsd. Als hij geen martelaar in Syrië wordt en de stichting van een kalifaat niet meemaakt, zal hij doorreizen naar Irak en zich daar aansluiten bij de soennitische jihadi’s die strijden tegen de Iraakse marionettenregering.”

Deze jihadisten gaan naar Syrië om te vechten tegen de ongelovigen, sluiten zich aan bij Jabhat Al-Nustra, een met Al-Qaeda verwante groepering en willen als martelaar sterven.

Ze maken daarbij geen onderscheid tussen gematigde moslims en niet-moslims. Iedereen die hun extreem orthodoxe interpretatie van de islam afwijst is hun vijand. Een tussenweg is er niet.

Noem het krankzinnig, maar ze menen het wel en zijn bereid hun leven voor de jihad te geven. De Nederlandse jihadisten die in Syrië het martelaarschap hebben bereikt, zijn hun helden.

„Sterven zoals deze strijders is mijn ultieme wens”, schrijft een onlangs naar Syrië afgereisde jihadist in zijn afscheidsbrief aan achtergebleven sympathisanten. Hoe heeft het zo ver kunnen komen, vraag je je af. Wat bezielt deze jihadstrijders en wat is hun achtergrond? Onderzoek wijst uit dat het om een kleine groep gaat. Hooguit een paar honderd man, en sinds kort ook vrouwen.

Hun profiel is doorgaans hetzelfde. Ze zijn maatschappelijk geïsoleerd, hebben weinig of geen sociale contacten, en raken op een bepaald moment in de ban van het radicale islamitische gedachtengoed.

Er zitten opvallend veel bekeerlingen bij, pakweg dertig procent. Ze zijn nog radicaler dan hun moslimbroeders en - zusters en kiezen doorgaans zonder voorbehoud voor het martelaarschap.

Het klinkt cynisch maar als deze jihadisten als martelaar in Syrië willen sterven, is dat hun zaak. Het is hun keuze en hun leven. Het martelaarschap voor een religie is overigens iets van alle tijden. Legio martelaars zijn hun voorgegaan. Van de kruisvaarders tot de Japanse kamikazepiloten in de Tweede Wereldoorlog.

Zorgwekkend is echter de toename van het aantal jihadisten. In ons land worden jihadisten als onbeduidend en marginaal afgedaan.

Het gaat, zo luidt de redenering, om een kleine, uit wereldvreemde idioten bestaande groepering die niets voorstelt en weer zal verdwijnen.

Het tegendeel is waar. Het aantal jihadisten zal alleen maar toenemen. De jihad is een houvast waaraan ze zich vastklampen; die hun leven een doel geeft.

In de achterstandswijken waar veel geradicaliseerde moslimjongeren wonen, zie je als je goed kijkt de potentiële jihadstrijders al rondlopen. Ze keren zich af van de moslimgemeenschap, nemen afstand van de samenleving en raken in de ban van radicale bewegingen als Sharia Holland, Behind Bars en Streetdawah. Voor deze moslimjongeren zijn de Syriëgangers helden aan wie ze zich spiegelen.

De jihadisten die uit Syrië terugkeren zullen deze heldencultus verder aanwakkeren en ervoor zorgen dat hun aantal toeneemt. De Syriëgangers hebben een belangrijke voorbeeldfunctie. Hun kruistocht tegen de ongelovigen zal een stimulans voor geradicaliseerde moslimjongeren zijn om zich bij de jihad aan te sluiten.

De moslimgemeenschap doet er daarom goed aan om correctiemechanismen in te bouwen in de strijd tegen radicalisering.

Tot nu toe is er op dit punt hoegenaamd niets gebeurd. Waar tijdens de Hofstadgroep ouders en Haagse moskeeën samen optrokken, lijken nu bezorgde ouders alleen te staan en het zonder de moskeeën te moeten doen. Onverschilligheid is troef.

Opinieleiders, imams en moskeebestuurders binnen de moslimgemeenschap zouden hierbij het voortouw moeten nemen en een plan de campagne moeten uitwerken om geradicaliseerde moslimjongeren in een vroeg stadium aan te pakken. En dat in nauwe samenwerking met gemeenten.

Ook moet er naar Belgisch voorbeeld een meldpunt komen waar jeugdwerkers jihadisten kunnen aanmelden.

Die zijn gemakkelijk te herkennen. En niet alleen aan hun kleding, maar juist aan hun profiel; het zijn moslims die openlijk voor hun extremistische opvattingen uitkomen.

De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst hoeft alleen maar z’n ogen de kost te geven om ze in kaart te brengen en aan te pakken.

Ibrahim Wijbenga is raadslid voor het CDA in Eindhoven en veldwerker in Amsterdam-Nieuw-West.