Laat die dino maar stampen

Vorige maand stond in de wetenschapsbijlage van deze krant een boeiend artikel over het tot leven wekken van uitgestorven diersoorten. Dat is in theorie mogelijk als de complete DNA-volgorde van het dier bekend is. Daarmee wordt ‘ontuitsterven’ (‘de-extinction’), het klonen van dit DNA-materiaal en het vervolgens tot leven wekken, denkbaar. Het in 1990 gepubliceerde boek Jurassic Park van Michael Crichton, een variatie op Frankenstein waarin een maffe miljonair op een afgelegen eiland genetisch gerecreëerde dinosauriërs in een themapark loslaat, was dus toch minder sciencefiction dan indertijd gedacht.

Het artikel legde uiteraard ook de link naar Jurassic Park: „Nu ontwikkelingsbiologen hun kloontechnieken hebben verfijnd en genetici het DNA uit duizenden jaren oude botten kunnen reconstrueren, vindt een groeiende groep wetenschappers dat het tijd is om uitgestorven diersoorten weer tot leven te wekken, à la Jurassic Park.” Crichtons bestseller was echter bedoeld als waarschuwing die verdwenen diersoorten toch vooral met rust te laten. Maar geen paniek, ondanks de vergevorderde kloontechnieken zal het nooit lukken om de T-Rex weer over de aarde rond te laten stampen. Het DNA-materiaal is namelijk te zeer vergaan om te kunnen klonen.

Twintig jaar na zijn première wordt Steven Spielbergs Jurassic Park opnieuw in de bioscopen uitgebracht, ditmaal in 3D. De film won Oscars voor zowel beste geluid als beste visuele effecten. Het was de eerste film met DTS-geluid, waarbij het digitale geluid via meerdere luidsprekers een enorm dynamisch bereik heeft. Ook luidde Jurassic Park het tijdperk in van de CGI (computer-generated imagery), dat filmmakers in staat stelt allerlei niet bestaande werelden uit de computer te toveren. Met CGI lukt het wel de prehistorie zeer geloofwaardig weer tot leven te wekken. Toch maar goed dat het bij een film blijft.