Kinderen zijn duur, dus we nemen er minder

Er worden in de wereld steeds minder kinderen geboren, maar waarom eigenlijk? Het lijkt vooral een afweging van kosten en baten.

Net als in China, India, het Midden-Oosten en Zuid-Amerika krijgen vrouwen in Bangladesh steeds minder kinderen. Tussen 1966 en 2010 is het geboortecijfer er gedaald van 6,7 tot 2,6 kinderen per moeder. De levensverwachting bij geboorte is in die jaren gestegen van 53 naar 69,3 voor mannen en van 51 tot 73,2 voor vrouwen, vooral dankzij een daling van de kinder- en zuigelingensterfte.

Daarmee voegt dit vanouds kinderrijke, agrarische land zich in een wereldwijde trend die ‘demografische transitie’ heet, de overgang van hoge, ongeveer gelijke geboorte- en sterftecijfers naar lage, opnieuw ruwweg gelijke geboorte- en sterftecijfers. Die transitie begon halverwege de 18de eeuw in West-Europa en is daar intussen voltooid. In de rest van de wereld kwam zij later op gang en is zij nog volop bezig.

Demografen debatteren al lang over de oorzaken van dalende geboortecijfers en er zijn veel verklaringen in omloop. Drie Amerikaanse onderzoekers en een Bengaalse collega vergeleken de meest gangbare theorieën. Ze lieten modelselectietechnieken, ontleend aan de waarschijnlijkheidstheorie, los op de data van hun veldwerk in een plattelandsdistrict van Bangladesh (Proceedings of the National Academy of Sciences).

De onderzoekers beperkten zich tot de drie meest courante theorieën ter verklaring van de demografische transitie. De eerste is de ‘risico- en sterftetheorie’. Die behelst dat wanneer de kindersterfte afneemt, ouders hun kindertal aanpassen aan de verbeterde overlevingskansen van hun kroost. Gedurende een aanpassingsperiode is er een geboortegolf, maar zodra ouders beseffen dat meer kinderen overleven, neemt het geboortecijfer af.

De tweede verklaring is de zogenoemde ‘economische en investeringstheorie’, die draait om de kosten en baten van investeringen in jezelf en in je kinderen. In traditionele, agrarische samenlevingen leveren kinderen hun ouders rijkdom op door werk op het land; dit zorgt voor een hoog geboortecijfer. In moderne economieën kosten kinderen geld – consumptie, scholing – met als gevolg een laag geboortecijfer. Daarbij komt dat het loont om veel te investeren in weinig kinderen en dat moeders, als ze zelf kansen krijgen op de arbeidsmarkt, hun kindertal beperken.

Tenslotte is er de ‘culturele overdrachttheorie’. Die luidt dat dalende geboortecijfers het gevolg zijn van veranderende opvattingen over ideale gezinsgrootte en aanvaarding van moderne methoden voor geboorteregeling. Verandering zou beginnen met overname van nieuwe normen door elites en zich door de samenleving verspreiden. Een lager kindertal zou een statuskwestie zijn en zo navolging in de hand werken.

De onderzoekers maakten onderscheid tussen ‘totale vruchtbaarheid’ – het aantal kinderen dat vrouwen gemiddeld ter wereld brengen – en het aantal overlevende kinderen. Ze stelden vast dat voor de totale vruchtbaarheid de economische en investeringstheorie de grootste voorspellende waarde heeft (gewicht 0,738), gevolgd door de kindersterftetheorie (0,234), terwijl de culturele overdrachttheorie een gericht gewicht in de schaal legde (0,029). Ook voor het aantal overlevende kinderen bleek het economische verklaringsmodel de meeste voorspellende waarde te hebben.

Afweging van de kosten en baten van investeringen in de eigen ontwikkeling (opleiding, werk) en in die van kinderen blijkt het sterkste motief te zijn voor een dalend aantal geboorten per vrouw.

In het onderzoeksgebied slinkt de per huishouden beschikbare landbouwgrond als gevolg van de bevolkingstoename. Steeds meer mensen (ook vrouwen) zijn aangewezen op loondienst, al of niet in de vorm van trekarbeid elders. Daardoor wordt een hoog kindertal eerder een aanslag op, dan een bijdrage aan rijkdom en worden investeringen in de scholing van kinderen belangrijker.

Tegelijkertijd is de gezondheidszorg in het gebied verbeterd en neemt de kindersterfte af.

‘Cultuuroverdracht’ van bovenaf in de vorm van dwingende voorlichting blijkt nauwelijks relevant: ouders maken zelfstandig afwegingen. De lang volgehouden overtuiging van bevolkingsplanners dat mensen met harde hand aan de anticonceptie geholpen moeten worden, blijkt uit de lucht gegrepen.

Vrouwen nemen rationele beslissingen over hun eigen leven. Regeringen en hulporganisaties kunnen daar overigens wel bij helpen: met de verstrekking van moderne anticonceptiva.