Gedurfd stuk over Armeense genocide

Sadettin Kirmiziyüz zoekt de discussie op in een voorstelling over de Armeense genocide. Bang voor zijn leven is hij niet, eerder vastbesloten.

Sadettin Kirmiziyüz tijdens de repetitie van voorstelling ‘Ararat’ in Frascati. Foto Roger Cremers

„Wil je doodgeschoten worden ofzo?” zei de vader van Sadettin Kirmiziyüz tegen hem toen hij hoorde dat deze een voorstelling over de Armeense genocide wilde gaan maken.

Openlijk spreken over deze heikele kwestie roept steevast Turkse vijandigheid op, maar de theatermaker haalt er de schouders over op. Bang is hij niet, zegt Kirmiziyüz. Dat iedereen zegt dat het onderwerp zo gevoelig ligt, drijft hem juist om er theater van te maken.

Tegen zijn vader zei hij: „Doe niet zo raar joh.” Maar natuurlijk denkt hij wel eens aan Hrant Dink, een journalist die de genocide in Turkije bespreekbaar wilde maken en in 2007 werd geliquideerd. „Door iemand uit Trabzon, waar mijn familie vandaan komt.”

Van Ararat willen Kirmiziyüz (Zutphen, 1982) en zijn regisseur Jeroen de Man een „spannende, geëngageerde, genuanceerde én lichte voorstelling” maken. Dat is een opgave bij zo’n beladen onderwerp, maar de theatermaker zoekt die wrijving juist op. Zoals in somedaymyprincewillcome.com, waarmee hij dé toneelhit van dit seizoen maakte. In die voorstelling gaat het over de onverwachte islamisering van zijn verwesterde zus. Haar verrassend beredeneerde en gevatte verdediging op de verwijten van haar broer vormde een hoogtepunt in het stuk.

Nu mikt Kirmiziyüz hoger en politiek gevoeliger. Hij beoogt zijn verwarring over de vraag waarom Turkije de moord op honderdduizenden Armenen geen genocide wil noemen op het publiek over te brengen.

In 1915 werden Armenen in het Ottomaanse Rijk door de Turkse machthebbers massaal vervolgd. Velen werden vermoord en vele anderen werden gedeporteerd: ze moesten honderden kilometers lopen naar de Syrische woestijn. Dat is de in het Westen aanvaarde lezing. Schattingen over het aantal omgekomen Armenen lopen uiteen van vijfhonderdduizend tot anderhalf miljoen.

Bij een repetitie vorige week in Amsterdam speelt hij een van de aanstichters, een pasja. Gekleed in militair jasje geeft hij de Turkse lezing: „Wij erkennen dat er veel Armenen zijn omgekomen. [...] Maar het is nogal een grote stap om te erkennen dat het om een geplande genocide ging. […] Vertrouwt u op ons rechtssysteem.”

Bij Kirmiziyüz is het begrip voor het verweer van de Turken gegroeid, zegt hij. „De Armenen streden aan de zijde van de Russen tegen de Turken. Volgens de Turken speelden de Russen en andere imperialistische landen in op de wens van de Armenen een eigen staat te vormen. Wij grepen in, zeggen ze, keihard, want de Armenen waren collaborateurs en vormden een vijfde colonne.”

Om de Turken te begrijpen, moet je hun trots begrijpen, zegt Kirmiziyüz. „Hun trots komt voort uit het enorme rijk dat ze ooit hadden veroverd. Uit wat nu China en Mongolië zijn, kwamen ze vechtend naar het westen. Brachten het Romeinse Rijk ten val gebracht en belegerden Wenen. Daarna werd hun rijk steeds kleiner, maar Turkije is nooit echt bezet geweest.”

In 1922 werd de Turkse staat gesticht. „De nieuwe leider, Atatürk, bouwde aan een moderne natie. Over de Armeense kwestie zei hij alleen: ‘Het was een schandelijke daad, een grote misdaad tegen de mensheid. Het had nooit mogen gebeuren, maar nu gaan we het er niet meer over hebben’.”

Dat wijst op reflectie en zelfkritiek. Maar het idee van schuld en boete is een typisch westerse manier van denken, zegt Kirmiziyüz. „Misschien is het oriëntalistisch om te zeggen, maar schaamte is onacceptabel in de Turkse cultuur. Schaamte past niet bij de oosterse mens. Het is een christelijk concept.”

Zoals Atatürk denken de Turken nog: niet terugkijken. „Waarmee het Armeense volk de kans wordt ontnomen het leed te verwerken. Als er geen erkenning is, is er ook geen verwerking.”

Bij zijn zoektocht naar de feiten ontdekte de theatermaker dat Turken zelf erkenning zoeken voor hun doden die omkwamen in de strijd. Sterker nog: dat ze zich identificeren met de slachtoffers van de Holocaust. „De Turken stellen: de imperialistische machten probeerden ons te vernietigen. Het Turkse ras zou verdampen. Verdampen: dat woord wordt veel gebruikt. Zij voelen zich de Joden die het wel hebben gered.”

In hem strijden de Turk en Nederlander met elkaar. „Ik zag een door de Turkse overheid goedgekeurde documentaire, waar veel poeha en propaganda in zit. Maar als een Turks omaatje haar angst voor Armenen in die tijd uitspreekt, dan heeft de Turk in mij met haar te doen. Terwijl ik als Nederlander denk: ‘Ja, dat is oorlog, verschrikkelijk. Maar dat kan niet legitimeren dat je een bevolkingsgroep verzamelt en wegvoert’.” Het gaat hem er niet om rechter te willen spelen. „Ik wil als kunstenaar bijdragen aan het wederzijdse begrip.”

Een week geleden kwam hij erachter dat in Trabzon een groot vernietigingscentrum voor Armenen was gevestigd. „Dus ik dacht: ‘Oh mijn God! Dan bestaat de mogelijkheid dat mijn voorouders hebben weggekeken of hebben meegedaan aan deze moorden.’ Als het zo dichtbij komt, word ik superverward. Daar moet Ararat over gaan.”

Sadettin Kirmiziyüz: ‘Ararat’. Vanavond t/m 4 mei, Frascati, A’dam.

    • Ron Rijghard