Discussies over vleeskleurige kousen

Kledinghistorica Kitty de Leeuw heeft een boek geschreven over de invloed van religie op kleding tussen 1914 en 1970. Een actueel onderwerp gezien de discussies over boerka’s op straat. ‘Alles werd korter, te kort om fatsoenlijk te zijn’.

Foto Hollandse Hoogte

Onze lieve Heer heeft uitgesproken opvattingen over kleding. Tenminste, volgens zijn vertegenwoordigers op aarde, protestant of katholiek, joods of islamitisch.

Er zijn specifieke voorschriften, zoals dat getrouwde vrouwen hun hoofdhaar moeten verbergen, of dat mannen hun baard niet mogen scheren (een oudtestamentisch verbod dat door Joden voor de oorlog werd omzeild met ontharingsmiddelen waar geen mes aan te pas kwam: de tekst verbood alleen snijden).

En regels over de algehele zedigheid. Verboden op blote halzen, armen en benen bijvoorbeeld: katholieke schoolmeisjes werden vroeger door de juf of zuster naar huis gestuurd als hun knietjes boven kniekousen te zien waren. Op scholen in de Nederlandse bible belt dragen meisjes nog steeds knielange rokken, en mogen jongens niet in korte broek lopen. Voor meisjes zijn korte én lange broek verboden; het bijbelboek Deuteronomium (22:5) gebiedt dat ‘het kleed eens mans niet zal zijn aan een vrouw, en een man zal geen vrouwenkleed aantrekken’, omdat dat in Gods ogen een gruwel is.

De invloed van religie op kleding is nog steeds actueel, gezien de hedendaagse discussies over keppeltjes of hoofddoeken op het werk en boerka’s op straat. Het boek van Kitty de Leeuw, sociologe en kledinghistorica, gaat over de periode tussen 1914 en 1970. De Leeuw, in 1991 gepromoveerd op het kleedgedrag van de Nederlanders tussen 1813 en 1920, is een van de weinige academische onderzoekers op dit terrein.

Vooral omstreeks 1920 veranderde de mode in stormachtig tempo, tot schrik van kerkelijke en andere autoriteiten. Alles werd korter, te kort om fatsoenlijk te zijn: dameskapsels, rokken, mouwen. Bloesjes werden luchtig en hoeden verdwenen. De opkomst van ‘vleeskleurige kousen’ leidde tot felle discussies. Iemand die dat een verwerpelijke dracht vond was de schrijfster Henriëtte Kuyper, dochter van de antirevolutionaire voorman Abraham Kuyper. Haar schoonzuster Hendrika Kuyper-van Oordt was milder. Zij constateerde in 1929 geamuseerd: ‘De delinquenten werden zóó talrijk, dat ’t delict moest worden afgevoerd.’

De strijd was inderdaad hopeloos. Zelfs in liberale kring werd gemopperd, bijvoorbeeld op de strandmode, al liet men hier toch meer over aan het individu, en werden confessionele voorstellen om onzedelijke kleding met wetten te verbieden van de hand gewezen.

Socialisten hadden weer andere bezwaren: die beschouwden mode als een onzinnig luxeverschijnsel, uitwas van de bourgeois-maatschappij. De leden van de Sociaal-Democratische Jongelieden Bond waren ‘bijna alle te herkennen aan hun slappe hoed à la Domela [Nieuwenhuis, im], en hun lange losse jas.’ Maar uiteindelijk volgden de meesten de gangbare mode.

Veruit de meeste aandacht wordt in dit boek besteed aan hoe de katholieke kerk het tij van de modernisering trachtte te keren. Er kwamen bisschoppelijke oekazes en ‘zedelijkheidsverenigingen’ zoals ‘Vrouwenadel’ en ‘Voor Eer en Deugd’.

De hoofdstukken over protestantse, joodse, socialistische en liberale opvattingen zijn aanzienlijk korter. Dat is eerder een voor- dan een nadeel: de hoeveelheid gegevens over de roomse perikelen – met gedetailleerde aandacht voor hoe het in Tilburg allemaal ging – is te veel om te blijven boeien.

Af en toe springt een pikant feit eruit: zoals dat er in 1930 een blad kwam om de katholieke leer in eenvoudige woorden onder het volk te verspreiden, Goed Volk geheten... de naam die de voorheen katholieke Volkskrant in 2013 gebruikt in een reclamecampagne.

Oude kranten zijn een belangrijke bron voor onderzoek als dit. Dankzij de digitaliseringsprojecten van de laatste jaren zijn die toegankelijker dan vroeger.

Natuurlijk zijn vermakelijke berichten te vinden: zo deed Het Vaderland (14/6/1935) verslag van een ‘Corset-show’ in het Scheveningse Palace-hotel, die strikt verboden was voor heren. De obers, mannen natuurlijk, mochten de thé-complets pas serveren toen de mannequins van de vloer waren.

Maar dit boek laat zien wat de keerzijde is van de online beschikbaarheid van bronnen, die in het algemeen zo’n zegen is voor onderzoekers. Als een auteur niet scherp genoeg selecteert, verdrinkt de lezer in de citaten. Het is een nieuw probleem waarvan historici zich het beste zo snel mogelijk bewust kunnen worden.

Kitty de Leeuw: Alles Flink Dicht. De invloed van religie en ideologie op kleedgedrag in Nederland). Stichting Zuidelijk Historisch Contact Tilburg, 366 blz. € 29,50