De Koning laat God en de wereld erbuiten

Bij een inhuldiging citeren de Oranjes elkaar. Dat deed de nieuwe Koning gisteren ook weer. Maar hij brak ook met de stijl van zijn voorgangers.

God was de grote afwezige in de inhuldigingstoespraak van koning Willem-Alexander. Alleen in het ‘Zo waarlijk helpe Mij God almachtig’ werd zijn naam genoemd. Maar in de tekst van het staatshoofd zelf, kwam Hij niet voor.

Door het geloof zo’n ondergeschikte rol te geven, brak Willem-Alexander met een traditie. Al zijn voorgangers riepen in de toespraak bij hun inhuldiging het opperwezen aan. Zijn moeder Beatrix zei in 1980 in haar geloof „de kracht te vinden” om haar taak aan te vatten. „Zo liggen mijn allerdiepste wortels in ons volkslied: Mijn schild ende betrouwen zijt Gij, o God mijn Heer.”

Juliana zei in 1948 iets soortgelijks: „De moed om deze roep te volgen, vind ik in vertrouwen op God.” Wilhelmina noemde in 1898 haar koningschap „een schoone roeping, een schoone taak, door God mij op de schouders gelegd”. En haar vader Willem III sprak in 1849 over „den Almachtige, die het lot van Koningen en Volken in Zijne hand heeft”.

In het Nederland van koning Willem-Alexander neemt God duidelijk een minder prominente plaats in dan in het verleden. Als de toespraak van een nieuwe vorst de stemming van de natie weerspiegelt, dan is Nederland anno 2013 ook minder dan vroeger begaan met wat zich elders op de wereld afspeelt. Willem-Alexander zei gisteren alleen dat er „opgaven” zijn die Nederlanders samen met de andere „bewoners van deze aarde” moeten oplossen.

Beatrix had in 1980 nog veel aandacht voor buitenlandse ontwikkelingen. Ze sprak over nucleaire bewapening : „Niemand is veilig bij de wetenschap dat voor het eerst de mens in staat is tot zelfvernietiging op wereldschaal.” Ook vroeg ze aandacht voor ontwikkelingslanden, omdat „ons bestel niet meer is los te zien van de noden in de wereld”.

Juliana refereerde in 1948 uiteraard aan de Tweede Wereldoorlog met al zijn verschrikkingen. Over de toekomst zei ze: „Nederland moet niet alleen drijvende blijven op de wilde golven van het wereldgebeuren. Het moet zelf zijn koers bepalen, en bovendien trachten met de andere volken samen de koers uit te zetten van de ganse wereldvloot.”

Haar grootvader koning Willem III toonde zich in 1849 – het spook van de revolutie waarde door Europa – juist blij dat de geschiedenis aan de deur van Nederland voorbij ging. „Indien wij het oog slaan op de beroeringen, die een groot deel van Europa teisteren, op de vernietiging der bronnen van bestaan en welvaart, (...) laat ons dan God dankbaar zijn, die het dierbaar Vaderland heeft behoed.”

Toch was de toespraak van Willem-Alexander geen volledige breuk met het verleden. Er was volop continuïteit. Zoals al zijn voorgangers refereerde hij aan de bijzondere band tussen het koningshuis en de Staten-Generaal. Hij benadrukte de dienende rol die de Koning heeft in het Nederlands staatsbestel. In die passage toonde hij zich even de afgestudeerd historicus, door te verwijzen naar het Plakkaat van Verlatinghe uit 1581 als de bron van deze opvatting van het koningschap.

Een andere traditie die Willem-Alexander in ere hield, was het opnoemen van goede eigenschappen van het Nederlandse volk. Hij kwam tot „vindingrijkheid, ijver en openheid”. Beatrix sprak 33 jaar geleden onder meer van „oervaderlandse eigenschappen” als „energie, vindingrijkheid en verdraagzaamheid”.

Wihelmina op haar beurt was blij een volk te regeren dat „hoewel klein in zielental, groot is in deugd en krachtig in aard en karakter”. Haar vader Willem III zei: „Ik verbind mij aan een volk, grooter door deugden, dan door het bezit van uitgestrekt grondgebied; krachtiger door eensgezindheid, dan door zielental.”

Dat Wilhelmina en Willem III gelijke woorden gebruikten, was geen toeval. Ook Beatrix sprak over een volk dat groot was, „niet in aantal of grondgebied”. In bijna alle inhuldigingsredes van de Oranje’s zitten zulke verwijzingen naar woorden van voorgangers.

Willem-Alexander noemde in zijn speech bijvoorbeeld zijn moeder „rustig te midden van de woelige baren”, precies wat Juliana in 1948 over Wilhelmina zei. Bron van dit citaat is Willem de Zwijger, die deze woorden als persoonlijke spreuk voerde: Saevis tranquillus in undis.

Zo werd gisteren ook een traditie van de vorstelijke intertekstualiteit in ere gehouden.