Column

Bij het balkon

Amsterdam leek een spookstad toen ik gistermorgen omstreeks 9 uur naar de Dam liep. Afgezette wegen en kruispunten, bezet door uiterst waakzame politie. Het was alsof er een staatsgreep had plaatsgevonden en het nieuwe regiem nog geen enkele vrijheid toestond; het volk wachtte op bevelen.

Om de Dam te bereiken moest ik grote stukken omlopen. Op een plaatsje daar had ik al niet meer gerekend, daar ging het me ook niet om, ik wilde sfeer en stemming proeven. Tot mijn verbazing was er nog volop plaats. Ik drentelde wat rond en sloot me toen aarzelend bij de langzaam groeiende menigte aan. Wat te doen? Nog vijf kwartier wachten op de balkonscène? Dat was lang, maar ach, nu ik er toch eenmaal stond. Bovendien moet je wat overhebben voor de lezers van NRC Handelsblad.

Mijn uitzicht op het balkon leek tamelijk riant, ik schatte de afstand op zo’n 200 meter. Overal hingen beeldschermen, maar die werden helaas niet benut voor de integrale tv-reportage, alleen voor de plechtigheden. Er werden vlaggetjes uitgedeeld. Het publiek om mij heen was opvallend jeugdig, er waren ook nogal wat buitenlandse toeristen bij. De sfeer was gemoedelijk, neigend naar lichte meligheid, want wachten verveelt. In het paleis schoof Pieter van Vollenhoven een gordijn opzij. Juichen!

Toen de plechtigheden eenmaal begonnen waren, vroeg ik me al snel af: zouden ze ons binnen kunnen horen? Ik zag de koningin aan tafel even lachen – was dat om ons? Later op de dag hoorde ik dat dit wel degelijk het geval was geweest. CDA-leider Buma roemde zelfs de wisselwerking met het publiek buiten, het had de plechtigheden in het Paleis en de Nieuwe Kerk nog indrukwekkender gemaakt. Ik gloeide bijna van trots – daar had ik als eenvoudige onderdaan dan toch maar even aan bijgedragen.

Ook om een andere reden was mijn gang naar de Dam niet vergeefs geweest. Een halfuurtje voor de balkonscène ontstond er plotseling onrust in de rijen vlak voor me. Een stoet van politieagenten, lopend in de richting van het Damrak, baande zich een weg door de menigte. Ze voerden een verbaasd kijkende kale man in witte kledij vastberaden met zich mee. Het was het enige onrustige, verwarring zaaiende moment in de periode dat we stonden te wachten. Niemand begreep wat er aan de hand was, de sfeer was tot dan toe juist zo gezapig en vreedzaam geweest.

Pas veel later hoorde ik thuis wat er gebeurd was. Die man was Hans Maessen, die samen met ‘Joanna’ van het Nieuw Republikeins Genootschap gedemonstreerd had. „Geen monarchie maar democratie” had er op zijn bord gestaan.

Ze zaten drie uur lang op het politiebureau vast waarna ze met excuses („inschattingsfout”) werden vrijgelaten. Het was de enige smet op een verder vlekkeloos verlopen dag. Burgemeester Van der Laan mag zich dat aantrekken, want hij had demonstratievrijheid beloofd. Wie stuurde die agenten aan? Als de sfeer minder ontspannen was geweest, hadden deze onnodige arrestaties de vlam in de pan kunnen zijn.

Nu kon de balkonscène doorgaan alsof er niets gebeurd was. Ze viel me een beetje tegen, maar dat kwam vooral door de afstand die toch groter bleek dan ik verwacht had. De koning en zijn vrouw waren op deze dag vooral tv-sterren, op veilige afstand van het volk.

Voor mij op de Dam bleven ze nietige poppetjes tegen een gigantisch decor, het was alsof de geschiedenis over hun schouders meekeek en tegen ons zei: „Alles gaat voorbij.”