Al dat flexwerk, moet dat nou?

Steeds meer werknemers hebben een flexcontract. Over de omstandigheden waaronder en gebrek aan perspectief groeit de kritiek. De ergste uitwassen belooft het kabinet nu aan te pakken.

Van haar eerste vaste contract was ze amper onder de indruk, herinnert Marieke Grimbergen (32) zich. Na een tijdelijk contract mocht ze in vaste dienst bij een adviesbureau in projectmanagement. „Oh oké, prima”, zei ze, niet beseffend dat ze goud in handen had. Sterker nog: na twee jaar vertrok ze weer, omdat ze liever als architect wilde werken. Dat was vóór 2008, vóór de financiële crisis.

Sindsdien heeft Grimbergen zeven tijdelijke contracten gehad en één ‘nulurencontract’. „Het liefst wil ik natuurlijk iets vasters. Maar ja, het alternatief is op de bank zitten.”

Een flexibele baan is idealiter een opstap naar een vast contract. Maar dat gebeurt steeds minder vaak, zeggen deskundigen. Steeds meer mensen blijven flexwerker, de volgende stap maken ze niet. Volgens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), een denktank waaraan 34 industrielanden meedoen, heeft 19 procent van de Nederlandse beroepsbevolking (ongeveer 1,2 miljoen mensen) een flexcontract. In 1995 was dat nog 11 procent. In Europa hebben alleen Spanje, Portugal en Polen meer tijdelijke contracten.

Maar ja, er is tenminste werk, dus hoe erg is dat eigenlijk, die flexibiliteit? Heel erg, vindt de vakcentrale FNV. Er is volgens haar een groeiende groep werknemers die niet weet of ze volgende maand nog de eindjes aan elkaar kan knopen. En die daardoor ook niet toekomt aan het opbouwen van een leven.

De kern van de arbeidsmarkt bestaat uit met name oudere mensen met vaste contracten en die groep wordt steeds kleiner. Daaromheen zit een almaar uitdijende schil van jongeren met tijdelijke contracten, een groep die ook almaar minder verdient.

Ja, er is een Flexwet, zeker. Die is in 1999 ingevoerd om mensen te beschermen tegen extreme ‘flexibilisering’: na drie tijdelijke contracten moest het maar afgelopen zijn met dat losse gedoe.

Maar paradoxaal genoeg werkt die wet flexwerkers juist tegen: na drie keer staan ze op straat. De regels in de wet worden in de praktijk meestal aangewend in het voordeel van werkgevers.

Wetenschappers hebben veel onderzoek gedaan naar de effecten van flexibilisering. De uitkomsten daarvan lopen uiteen. Servaas Storm van de TU Delft) zei eerder in deze krant dat acht van de tien studies laten zien dat flexibele arbeidsverhoudingen een negatief effect hebben op productiviteit en innovatie.

Neem bijvoorbeeld het onderzoek van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt uit 2011. Daaruit blijkt dat tijdelijke werkers minder verdienen dan mensen in vast dienstverband, dat zij vaak te hoog gekwalificeerd zijn voor het werk dat zij doen en dat tijdelijke werknemers minder vaak scholing volgen die door hun werkgever wordt betaald.

Flexwerkers hebben lang niet altijd behoefte aan een vast contract: ze hoeven niet hun leven lang bij dezelfde werkgever te werken. Maar ze willen wel altijd aan het werk zijn. En de huidige Flexwet gooit daarbij vaak roet in het eten.

Neem bijvoorbeeld de freelancedocente die al bijna zes jaar lesgeeft bij een masteropleiding op een universiteit. Haar derde contract loopt na de zomer af. De universiteit wil haar graag houden, maar zegt geen vast contract te kunnen aanbieden. Daarom mag zij straks een half jaar geen les geven.

Daarna kan de universiteit haar weer een nieuw, tijdelijk contract aanbieden. „Ik ben nu alvast maar gestopt, want eind dit jaar geef ik een groot vak en kan ik dus veel uren draaien. Als ik nu stop, kan ik dan weer aan de slag”, zegt ze. In de tussentijd moet ze zich met freelanceklussen zien te redden.

Zij vindt dat de Flexwet moet worden aangepast: werkgevers zouden onbeperkt tijdelijke contracten moeten kunnen aanbieden. „Banen voor het leven zijn niet meer van deze tijd. De vakken op de universiteit veranderen steeds sneller en er zijn dus telkens andere docenten nodig. Ik voel me door de Flexwet juist beperkt, omdat ik nu een half jaar op straat sta. En ik heb nog geluk, want ik mag na een half jaar terugkomen. Veel collega’s staan na drie tijdelijke contracten gewoon op straat.”

De overheid zou de behoefte aan flexibiliteit bij werkgevers meer in overeenstemming moeten brengen met de behoefte aan meer zekerheid bij flexwerkers, vindt ook onderzoeker Jan Dirk Vlasblom van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP).

Vast moet minder vast worden en flexibel minder flexibel. Dat kan door het voor werkgevers mogelijk te maken eindeloos tijdelijke contracten aan te bieden. Daarnaast zou de ontslagbescherming van vaste medewerkers kunnen worden verminderd.

Het erg vaste ‘vaste contract’ hebben we te danken aan de Duitsers, vertelt Ton Wilthagen, hoogleraar arbeidsmarkt aan de Universiteit van Tilburg. „De Duitsers wilden in 1944 de arbeidsmarkt controleren. Werknemers moesten eerst een vergunning aanvragen voor ze ergens anders naartoe konden, werkgevers moesten het ontslag van een werknemer eerst aanvragen.”

Toen Nederland bevrijd was, hielden de nieuwe bewindslieden dit systeem in stand. „Zo konden ze ervoor zorgen dat in de opbouwfase mensen in belangrijke sectoren bleven werken”, zegt Wilthagen. Na verloop van tijd werd de vergunning die werknemers moesten aanvragen, afgeschaft. Maar die van werkgevers bestaat nog altijd.

Wil een bedrijf iemand ontslaan en maakt die werknemer daar bezwaar tegen, dan moet de ontslagaanvraag eerst voor het UWV of de kantonrechter komen. Zo’n systeem bestaat volgens Wilthagen alleen nog in Sri Lanka.

De invoering van de Flexwet in 1999 was een stap in de goede richting. Arbeid werd flexibeler, maar de zekerheden van vaste contracten bleven in marmer gebeiteld. Op aandringen van de vakbeweging. Wilthagen: „De bonden vonden het flexcontract minder belangrijk dan bescherming van de verworvenheden van het vaste contract. Je zou kunnen zeggen dat de vakbonden een hand hebben gehad in de huidige explosie aan flexwerkers. Nu hebben ze daar spijt van.” Want in het huidige stelsel is het wel heel gemakkelijk om van flexwerkers af te komen.

Chantal Bannink uit Zaandam werkte tot begin april als schoonmaakster in een hotel. Ze had een nulurencontract, maar zou op dinsdagen en donderdagen aan de slag kunnen. „In de praktijk werd ik vaak op maandag- en woensdagavond afgebeld. Meestal hadden ze dan iemand onder de 20 gevonden die goedkoper was. Soms zat ik drie weken zonder werk”, zegt ze. Nu is ze haar baan kwijt, omdat het contract van iedereen boven de 20 jaar is opgezegd. „Je verwacht niet dat het kan in Nederland.”.

Architect Marieke Grimbergen gaat ervan uit dat een vast contract er de komende jaren niet in zit. Een paar weken werk, een tijdje WW, enzovoorts. Zo ziet haar leven er uit. Als ze daaraan denkt, wordt ze een beetje moedeloos. Ze zou zo graag wat meer rust hebben. „Behalve in mijn werk heb ik ook ambities in mijn privéleven; ik ben in de dertig, wil een huis kopen, een gezin stichten.”

Grimbergen heeft aan omscholen gedacht, heeft open dagen bezocht, maar dat is een moeilijke keuze en duur om te doen bovendien. „Het is alsof er niks verandert in je leven. Ik voel stilstand.”

Met medewerking van Ariane Kleijwegt