4 mei: wat had je zelf toen gedaan

Lang na de oorlog krijgt ‘herdenken’ echte betekenis: bedenken wat je zelf zou hebben gedaan, schrijft Herman Vuijsje.

Illustratie Cameron Cardow

Net als vorig jaar roepen de plannen voor de dodenherdenking in het Gelderse Vorden heftige emoties op. Officiële vertegenwoordigers van de gemeente Bronckhorst zullen niet alleen eer bewijzen aan de vermoorde joodse Vordenaren en aan gefusilleerde verzetsstrijders en Jehovah’s Getuigen. Ook een graf van gesneuvelde Duitse soldaten zal in de herdenking worden betrokken.

Het debat heeft vooral de ‘doelgroepen’ als inzet. Worden de slachtoffers niet postuum gebruuskeerd door ze gelijk met de daders te gedenken? De kans dat de slachtoffers enthousiast zouden zijn geweest over deze ‘combiherdenking’ mag inderdaad klein worden genoemd.

Toch lijkt een ander bezwaar me van nog meer belang. De Tweede Wereldoorlog toonde aan dat mensen tot verschrikkelijke dingen in staat zijn en dat ze gemakkelijk tot meelopen kunnen worden verleid. Maar ook dat ze altijd een keuzemogelijkheid hebben. Dat laatste is de belangrijkste reden om met herdenken door te gaan. Naarmate de oorlog langer achter ons ligt, beantwoordt ‘herdenken’ steeds meer aan zijn letterlijke betekenis: opnieuw overdenken. Bedenken wat je zelf zou doen.

De campagnes en lessen die de herinnering aan de oorlog levend moeten houden, gaan over dit thema. 4 mei is een kans om je te realiseren dat er toen mensen waren die de passiviteit van de meerderheid trotseerden. En dat je dus niet alleen zou zijn als je, mocht je zelf voor zo’n keuze komen te staan, ook die moed zou kunnen opbrengen. Als daar nu iets niet bij past, is het om bij dezelfde gelegenheid de mensen te herdenken die deze moed juist niet hadden, zoals gesneuvelde Wehrmachtsoldaten.

Dat je deze soldaten volgens een ruime definitie ook als ‘slachtoffers’ zou kunnen zien – van de omstandigheden of van de geschiedenis; slachtoffers die recht hebben op begrip en mededogen – gaat voorbij aan het bijzondere karakter van 4 mei. Waarom komen wij op die dag bij elkaar? Volgens het boekje denken wij dan aan de doden van de Tweede Wereldoorlog en andere oorlogshandelingen. De Tweede Wereldoorlog is veruit beeldbepalend, ook bij jonge generaties. Maar waaraan denken wij straks als niemand zelf meer herinneringen heeft aan de doden uit die tijd?

4 mei wordt steeds minder een gelegenheid om de doden te herdenken – en steeds meer een gelegenheid om de daden te gedenken. Niet de daden waarvan de aanstichters op het kerkhof van Vorden liggen, maar de daden van degenen die ons tot voorbeeld kunnen zijn.

Ook onder Nederlanders waren tijdens de bezetting volgzaamheid en accommodatie toonaangevend. Het waren eenlingen die zich durfden te verzetten. Zij trotseerden daarmee niet alleen de bezetter, maar ook het conformisme dat onder hun collega’s haast vanzelfsprekend was.

Voorbeelden zijn de Amsterdamse politie-inspecteur Jan van den Oever, die als enige weigerde mee te werken aan het ophalen van Joden. De inspectrice van de Haagse dienst Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting, A. Kuipers, die als enige niet-Joodse Haagse gemeenteambtenaar weigerde de ariërverklaring te tekenen. De burgemeester van Zwollerkerspel, die als enige burgemeester protesteerde tegen het wegvoeren van zigeuners naar verzamelkampen.

Zo’n voorbeeld is ook Helmut Seijffards, de Duitse Oberwachtmeister die weigerde te schieten op de 116 Nederlanders die in 1945 bij de Woeste Hoeve werden gedood als represaille voor de aanslag op topnazi Hanns Rauter. Hij werd ter plekke door zijn collega’s van de Grüne Polizei geëxecuteerd.

Juist mensen als hij zouden we op 4 mei ook moeten gedenken. Niet als slachtoffer, maar als getuige van het feit dat meelopen niet vanzelfsprekend is. Wie ook de in het gevecht gesneuvelde Duitse soldaten als slachtoffers wenst te herdenken, kan dat doen bij een andere gelegenheid, zoals de jaarlijkse Volkstrauertag op de Duitse militaire begraafplaats in het Limburgse Ysselsteyn.

Herman Vuijsje is socioloog en publicist.