Hippie in business

Kunstenaar Daan Roosegaarde (33) bouwt aan een wereld waarin natuur en techniek samenkomen. Dat noemt hij technopoëzie. „Ik wil de wereld menselijker maken.”

Verslaggever

Op een spierwitte sokkel, in het midden van een loods in Waddinxveen, staat een mysterieus object. Een zilverkleurige bol, het glanzende metaal steekt fel af tegen de betonnen wanden van Studio Roosegaarde. „Kijk.” Daan Roosegaarde wandelt erheen. Hij buigt, tuit zijn lippen en blaast zachtjes. Ogenblikkelijk roert het metaal zich, lillend vouwt de bol open als een lotus in de zon. Licht sijpelt door vanuit het hart en hult Roosegaardes gezicht in een zachtoranje gloed. Hij grijnst. „Zie je? Het leeft.”

Kunstenaar Roosegaarde (33) heeft grootse plannen met deze wereld.

Vier jaar geleden maakte hij wereldwijd furore met Dune: wuivend koren van kunststof vezels, tot voorkort geplant in rijen van zestig meter in een voetgangerstunnel in Rotterdam. Vanaf 16 mei staat het in het Stedelijk Museum. Als je er doorheen loopt dan licht het graan op en ‘zingt’ het zachtjes.

Technopoëzie, noemt hij dat. En dat is hoe hij de toekomst voor zich ziet. Een wereld waarin natuur en technologie dwars door elkaar heenlopen, elkaar versterken in plaats van uitsluiten. Waar licht overal is. Een leefruimte waarbij esthetiek en functionaliteit in symbiose zijn versmolten.

Concreet? Wat te denken van een lichtgevende snelweg waarvan het wegdek elektrische auto’s doorlopend van energie voorziet en vice versa. Tatoeages die zich aanpassen aan je fysieke gesteldheid en je vertellen hoe het met je gaat. Planten die uit zichzelf licht geven. Of een jurk die, naarmate de draagster opgewondener raakt, steeds doorschijnender wordt.

„Dit is geen toekomstmuziek”, zegt Roosegaarde. Zijn smalle gezicht lijkt nooit te stoppen met glimlachen, toch is duidelijk dat hij het meent. Hij produceert alles zelf, met zijn team, in Waddinxveen en zijn studio in Shanghai. „Daar word ik helemaal gék van, als mensen dat zeggen. Zo van: wat interessant, dat moeten we over een paar jaar echt gaan doen. Dat hoor ik continu. Onzin, het kan nu.”

Ja, maar...

„Precies dat.” Hij heft zijn wijsvinger in de lucht, nog steeds glimlachend. „Die ‘ja maar’, die komt voort uit het niet durven vernieuwen. Onze maatschappij heeft een copy-paste-mentaliteit. We zitten in een comfort zone waarin we niet meer de behoefte hebben onszelf kritisch te bevragen. Om écht te veranderen of te innoveren. Of we het nu hebben over milieu of economie: het oude systeem werkt niet meer. De wereld die we hebben gebouwd, is kapot.”

En hoe maak je die weer?

„Door op een andere manier te leren denken, te kijken. In een tijd waarin de overheid langs de weg lantaarnpalen uitzet omdat ze de stroom niet langer kunnen betalen, moet je niet gaan investeren in zonnepanelen die misschien tien procent zuiniger zijn. Dan moet je terug naar de tekentafel. In plaats van een oud systeem minder slecht maken, iets totaal nieuws durven ontwikkelen. Dan zeg ik: laten we eens kijken naar kwallen die honderden meters onder water leven, waar geen zonnestraal bijkomt, en die toch licht weten te geven. Dus dat kunnen wij nu ook, met verf.”

Waarom jullie wel en anderen niet?

„Oh, wij doen dingen die ze bij Philips nog niet eens kunnen. En dat komt heus niet alleen door de techniek. Het is de denkwijze. Neem die lichtgevende verf: dan heb ik een afspraak bij de directie van Eneco – zij benaderen mij om mee te denken over vernieuwing – en dan schrik ik toch weer: ze willen eigenlijk niet verslimmen. Ja, over dertig jaar. Flikker toch op! Zij denken nog steeds dat ze hun oude systeem onder controle hebben. De techniek is het probleem niet, wel de denkwijze. Verbeelding en innovatie moeten bij elkaar komen: zó ontwerp je dingen die daarvoor niet eens zozeer technisch onmogelijk waren, maar die simpelweg niet in het denkbeeld van mensen opkwamen.”

Maar wel bij jou dus. Hoe verklaar je dat?

„Toen ik in 2004 begon, kon ik nog geen e-mail met attachment versturen. Maar wat ik wel altijd heb gehad is mijn relatie met de natuur. Dat was al zo tijdens mijn jeugd in Nieuwkoop. Daar had ik veel meer mee dan met de bebouwde omgeving – die vond ik maar hard en kil. Boomhutten bouwen, kabels spannen van de ene boom naar de andere. De natuur verpersoonlijken, customizen, want dat doet de mens in de natuur: je vormt het om, maakt het eigen. Dat is altijd bij me gebleven. Na mijn studie op de kunstacademie ben ik architectuur gaan doen. Toen heb ik de eerste techneuten ontmoet, waarvan sommigen hier nog steeds rondlopen. Chemici, programmeurs, botanisten, wegenbouwers – ik koppel mijn visie aan hun technische vakmanschap. Met hen ontdek ik hoe de nieuwe wereld eruit kan gaan zien. Die moet weer gaan lijken op de boomhutten van vroeger: interactief en duurzaam, minder afstandelijk. Technisch, maar ook menselijker, op een manier.”

De wereld vermenselijken door techniek? Dat klinkt als een tegenstelling.

„Dat lijkt inderdaad zo. Met techniek kun je heel enge, Orwelliaanse dingen doen. Maar het kan ook juist een verlengstuk van je menselijkheid zijn. Die bril die je nu op hebt? Techniek. Maar toch voel jij hem niet als je hem draagt. Het is onderdeel van wie je bent – maar ondertussen versterkt het wel mooi wat je kúnt. Dat voer ik steeds extremer door. Natuurlijke elementen verweven in deze harde technologische wereld en andersom. Wacht, ik zal je een voorbeeld geven.”

Roosegaarde beweegt de muis van zijn computer, het beeldscherm flikkert tot leven. „Dit is mijn jongste project”, zegt hij. „Ik heb net bevestigd gekregen dat dit technologisch mogelijk is.” Een grafisch ontwerp verschijnt: een plein vanuit de lucht gezien. Het wordt verduisterd door een donkere wolk met daarin een helder blauw gat, als het oog van een cycloon, met in het midden een pilaar.

Smog in Beijing, legt Roosegaarde uit, „een sluier zo giftig dat die niet langer te meten is”. De pilaar is geladen met statische elektriciteit, die de smog aantrekt. „Die wordt dan heel compact.” Roosegaarde plopt met zijn mond. „Zo krijg je een ruimte met frisse lucht middenin de smog, een nieuwe wereld in een oude. Dit is landschapskunst in de meest extreme zin: de afwezigheid van smog is het ontwerp.”

Gaat het je dan om de esthetiek of de functionaliteit?

„Allebei. Het is niet zo dat ik zeg: hé, dit is toffe verf, zeg, laten we dat op eens ergens opsmeren. Mijn werk is nooit puur decoratief. Ik maak geen statische dingen, dat is wind in een glazen potje. Vergelijk het met de natuur: je bent je er niet van bewust, maar het werkt én het ziet er fantastisch uit. Omdat het doordacht is. Daar heeft de natuur een paar miljoen jaar de tijd voor gehad, maar mijn werk moet dat ook doen: versmelten met het leven. Of het nou kunst is, mode, wegen of gehackte bloemen.”

Maar het moet ook commercieel zijn.

„Dat ook. Ik ben een bedrijf. En volledig, hoe noem je dat, sectoroverschrijdend. Ik werk net zo graag met modemerken als Louis Vuitton en Gucci, als met gemeentes of wegenbouwer Heijmans. Dan denk je misschien: wat móet je daar nou als kunstenaar? Dit is geen linkse hobby. Ik wil de wereld een update geven. Ik ben een hippie met een businessplan.”