Het laatste stuk van Heldring: de lezer niet bekeren, maar hem ten dienste zijn

Oud-hoofdredacteur en oud-columnist J.L. Heldring overleed zaterdag op 95-jarige leeftijd. Op 7 april 2012 verscheen zijn laatste stuk in de krant. Over de drie rode draden in zijn werk: mensen tot nadenken zetten, de rol van macht in de politiek en de behoefte van mensen om zich te onderscheiden van anderen. Lees het hier terug.

Foto NRC / Vincent Mentzel

Oud-hoofdredacteur en oud-columnist J.L. Heldring overleed zaterdag op 95-jarige leeftijd. Heldring stopte ruim een jaar geleden na 52 jaar met de wekelijkse column die hij in 1960 bij de Nieuwe Rotterdamse Courant was begonnen. Op 7 april 2012 verscheen zijn laatste stuk in de krant. Over de drie rode draden in zijn werk: mensen tot nadenken zetten, de rol van macht in de politiek en de behoefte van mensen om zich te onderscheiden van anderen. Lees het hier terug.

Op 1 augustus 1945 – dus nog vóór Hiroshima – trad ik in dienst van de NRC in Rotterdam, dat toen nog een steenwoestijn was, en begon mijn journalistieke loopbaan. Daar is nu, na bijna 67 jaar, een eind aan gekomen – niet omdat ik dit graag wil, ook niet omdat de hoofdredactie genoeg van mij heeft (daar heb ik althans niets van gemerkt), maar omdat er grenzen zijn aan mijn fysieke vermogens (over mijn geestelijke vermogens mogen anderen oordelen).

Van die 66 jaar heb ik 52 jaar lang de rubriek geschreven waarin donderdag het laatste artikel verscheen. Is daar een rode draad in te ontdekken? Zeker heb ik zo’n draad niet van het begin af aan bewust gesponnen. Het was pas veel later dat ik een uitspraak van de Belgische historicus Louis Pirenne tegenkwam die mij deed beseffen: daar heb ik ook altijd naar gestreefd!

Aan zijn Nederlandse collega Huizinga schreef hij eens: L’essentiel est de faire réfléchir. Waar het op aankomt is de mensen tot nadenken te zetten, dus niet hun met eigen meningen om de oren te slaan. Er zijn al veel te veel meningen, het columnistendom tiert welig – zo welig dat de lezer, anders dan de bedoeling is, niet wijzer wordt van die baaierd aan meningen, eerder de neiging krijgt te denken: ze zoeken het zelf maar uit.

Maar ook het laten nadenken heeft zijn grenzen. Willen alle lezers wel zelf nadenken? Willen velen (de meesten?) niet liever, in bewoordingen waarop zij zelf niet gekomen zouden zijn, hun instinctieve reflexen en vooroordelen bevestigd zien? Zo ja, dan is de juistheid van een van de premissen waarop de democratie berust twijfelachtig, de premisse namelijk dat de burger door vrij onderzoek zelf tot besluiten komt.

Alles wordt onderzocht, en terecht. Alleen de premissen van de democratie schijnen sacrosanct te zijn, en dat is merkwaardig. Er zijn immers genoeg tekenen die erop wijzen dat de democratie een struikelblok kan zijn op de weg naar gewenste, zelfs nodige, resultaten. Europa wordt niet één, omdat de democratie in slechts één land zich ertegen kan keren (het referendum van 2005 bijvoorbeeld). ’s Binnenlands kan het populisme het hele democratische proces blokkeren.

Als de lezer een weerzin heeft tegen het zelf nadenken of er, door allerlei afleidingen, niet toe komt, dan ontstaat het gevaar dat journalisten voor elkaar gaan schrijven en niet voor de lezer. Dat is het bekende ‘wereldje’, in Nederland ook wel ‘grachtengordel’ genoemd, een in-crowd, die vanzelf de tegenstand creëert van hen die zich buitengesloten en veracht voelen. Zo ontstaat het populisme als reactie op de arrogantie van de media.

Die arrogantie is geen verschijnsel van de laatste tijd. Al spoedig ontdekte ik dat vele journalisten een dédain koesteren voor de lezer die, denken ze, minder weet dan zijzelf. Dat dédain manifesteert zich onder andere in het niet beantwoorden van lezersbrieven. Dat is niet alleen onbeschoft, maar ook dom: een lezer die zich niet serieus genomen voelt, blijft niet lang abonnee. Kortom, als alles onderzocht moet worden, dan ook het eigen vak.

Maar naar buiten toe dient allereerst de overheid kritisch gevolgd te worden. Daarbij zijn de media vaak in het nadeel, omdat de overheid over veel meer informatie beschikt dan zij en rekening moet houden met allerlei overwegingen en belangen, waarover de buitenwacht gemakkelijk heen huppelt. La critique est aisée. Maar dat betekent natuurlijk niet dat de overheid gemakkelijk mag wegkomen met het gebruik dat zij van haar informatie maakt.

Een andere rode draad in mijn rubriek blijkt misschien achteraf de nadruk te zijn geweest die ik legde op de rol van de macht in de politiek. Politiek is een spel om de macht. Zolang het over binnenlandse politiek gaat, heeft geen Nederlander bezwaar tegen die stelling. Hij is dan ook nog bereid de macht van de parapolitieke organisaties, zoals de vakbonden of, in de jaren 80, de vredesbeweging, te erkennen.

Maar zodra die gedachte op de internationale politiek wordt toegepast, gaat die Nederlander griezelen en roepen dat dat heel verkeerd is. Ik heb die inconsequentie nooit begrepen. Waarschijnlijk een gevolg van een eeuw lang neutraliteit, die nog doorwerkt.

Wat dat betreft, was ik een vreemde eend in de bijt van de NRC, waar de gedachten van de volkenrechtsgeleerde Van Vollenhoven (1874-1933), de man die meende dat Nederland de rol van Jeanne d’Arc in de wereld toekwam, in ere werden gehouden. Zij vonden nog een late naklank in de concepties van het gidsland en het civiele Europa van het kabinet-Den Uyl. Helaas had de gids weinig volgelingen.

In die tijd was het ook niet bon ton over de natie te spreken. De tijd van het nationaal-socialisme lag nog te dichtbij. Maar je hoeft geen nationaal-socialist, zelfs geen nationalist, te zijn om te beseffen dat de natie een werkelijkheid is, die zich al manifesteert doordat de burger in tijden van crisis zich richt tot zijn nationale overheid en geen boodschap heeft aan een, in zijn ogen, Europees of ander abstractum.

Een derde rode draad is mij, toen ik nog nauwelijks volwassen was, gegeven door Carry van Bruggen: “De dingen bestaan door hun verschil met andere dingen, zoals ook mensen in hun geestelijke en stoffelijke zin slechts bestaan door hun verschil met anderen”, schrijft zij in haar boek Prometheus. Een identiteit is dus slechts negatief te definiëren (anders dan andere). Op intermenselijk niveau wordt deze drang tot onderscheiding van de ander nog gecompenseerd door de eveneens bij de mens aanwezige drang tot eenwording met de ander; religieus met God, erotisch met de partner of met een collectief – bijvoorbeeld natie of voetbalclub.

De natie is ontstaan door de behoefte van velen tot eenwording. Eenmaal één geworden, wordt de natie, product van die eenwording, zelf niet meer gedreven door die behoefte. Die is immers bevredigd, opgeraakt door die eenwording. Die redenering ligt aan de basis van mijn euroscepsis. Dat Europa nog steeds niet één is, verrast mij daarom niet – wat niet wil zeggen dat ik het niet betreur.

Mijn scepsis heeft niet altijd de instemming gehad van idealisten en politici. Wat de eersten betreft: het hebben van een ideaal is op zichzelf geen aanbeveling. In de vorige eeuw is het idealisme van miljoenen misbruikt. Wer Visionen hat, muss zum Arzt, zei Helmut Schmidt eens (het Duitse woord Vision betekent zowel visie als visioen). En wat de politici betreft: met scepsis win je geen stemmen, wèl met stralende vergezichten, totdat de werkelijkheid uitblijft, zoals nu bijvoorbeeld.

Over de huidige journalistiek zal ik geen uitlatingen doen. Die is sinds 1945, jaar van mijn intrede, en ook sinds 1968, toen ik hoofdredacteur werd, zo veranderd dat ik me niet zal aanmatigen de wijsvinger te heffen.

Maar van één ding blijf ik overtuigd: de lezer koopt de krant in de eerste plaats om het nieuws. Dat moet dan ook zo onversneden mogelijk gegeven worden.
Objectiviteit bestaat niet, hoor je wel eens als tegenargument. Dat mag waar zijn, maar mag geen reden zijn niet naar objectiviteit te streven. Minister Pronk heeft eens een prijs ingesteld voor “betrokken verslaggeving” inzake ontwikkelingssamenwerking. Betrokken verslaggeving is een contradictio in terminis, maar in feite propaganda. Je betrokkenheid mag je in hoofdartikelen en commentaren kwijt, maar die behoren niet tot de essentiële functie van de journalistiek. Zij zijn, om zo te zeggen, ‘vrij’ – in de zin die een befaamde Engelse hoofdredacteur eraan gaf in zijn uitspraak: facts are sacred, comment is free. Zij zijn, met andere woorden, een niet onmisbare toegift.

Iets anders zijn de analyses, die het nieuws kunnen verhelderen en zelfs onmisbaarder worden naarmate het nieuws de lezer eerder heeft bereikt dan de krant bij hen in de bus valt, maar analyses vereisen de nodige kennis, wat met het commentaar niet het geval hoeft te zijn. Waarom het gaat is niet de lezer te bekeren, maar hem ten dienste te zijn. Vandaar dat mijn laatste groet de lezer geldt.